Publicatie

Zeilen bijzetten

Voortbouwen op SUNflower: een vergelijkende studie tussen de drie veiligste landen van Europa: Zweden het Verenigd Koninkrijk en Nederland

Auteur(s)

Wegman, Ir. F.C.M.

Jaar

2004

Downloaden

PDF-pictogram pdf (215.17 KB)

Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk zijn in Europa en in de wereld de drie verkeersveiligste landen: er vallen de minste aantallen verkeersslachtoffers afgezet tegen het aantal inwoners en tegen de hoeveelheid verkeer. Bovendien is het aantal slachtoffers in deze drie landen de laatste decennia sterk gedaald en bestaat de ambitie om het aantal slachtoffers verder terug te brengen. Dit vormde de aanleiding om deze ontwikkelingen en het gevoerde beleid in de drie landen met elkaar te vergelijken, evenals de wijze waarop dit beleid was geïmplementeerd. In de studie 'SUNflower' (Sweden, United Kingdom, the Netherlands) is hierover in 2002 gerapporteerd. Het huidige rapport doet in grote lijnen verslag van de Sunflower-studie en presenteert vervolgens bevindingen die van belang zijn voor verdere bevordering van de verkeersveiligheid in Nederland. Vanuit een beschrijving en analyse van het gevoerde verkeersveiligheidsbeleid in de drie landen wordt geconcludeerd dat de basis voor succesvolle ontwikkelingen in de samenleving zelf ligt, die verkeersonveiligheid als een relevant maatschappelijk probleem onderkent. Dit is iets dat in de politiek regelmatig bevestigd wordt en ook moet worden. Het opstellen en uitvoeren van verkeersveiligheidsplannen is in alle drie landen een gewoonte gedurende een lange reeks van jaren. De kwaliteit van de plannen wordt steeds beter omdat er meer kennis beschikbaar komt en ervaring wordt opgedaan met de uitvoering van eerdere plannen. In die plannen worden goeddeels dezelfde onderwerpen aan de orde gesteld, maar er wordt op een eigen en unieke wijze uitvoering aan de plannen gegeven. Om de uitvoering succesvol te laten verlopen is het van belang dat de overheid, en daarbinnen een specifieke organisatie, zich als leider opstelt en voldoende mogelijkheden heeft voor beleidsinnovatie. Verder is een adequate uitvoeringsorganisatie nodig waarin grote delen van het beleid met routine kunnen worden uitgevoerd en waarin overheden, maatschappelijke organisaties en de private sector participeren. Ten slotte zijn er voldoende financiële middelen nodig en een behoorlijke mate van continuïteit in het beschikbaar komen van die middelen. Daarnaast dient er voldoende kennis beschikbaar te zijn bij de professionals om effectief en efficiënt beleid te formuleren en uit te voeren. Aan veel van het hier geschetste is in Nederland voldaan, en dit verklaart dan ook waarom Nederland zich in de Europese kopgroep bevindt. Er zijn wel enkele aandachtspunten voor mogelijke verbeteringen op te merken: een duidelijker profilering van het onderwerp verkeersveiligheid in de samenleving, accentuering van de leiderschapsrol van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat waar beleidsinnovatie een kernactiviteit wordt, meer continuïteit in de beleidsuitvoering en de daarvoor benodigde investeringen, een beter ontwikkeld en goed samenwerkend netwerk van organisaties die een rol te spelen hebben bij de beleidsuitvoering en het op peil houden (eventueel brengen) van deskundigheden. Wat concrete ontwikkelingen in de verkeersonveiligheid betreft, zijn in de Sunflower-studie vier onderwerpen nader uitgewerkt: rijden onder invloed, dragen van autogordels, kleinschalige verkeerstechnische maatregelen en investeringen in de hoofdinfrastructuur van een land. Voor alle vier onderwerpen is nagegaan welke voortgang er in het verleden in de drie landen is geboekt (uitgedrukt in slachtofferreductie) en of er mogelijkheden voor verdere verbeteringen zijn. Concrete suggesties zijn hiervoor gedaan. Met de beschikbare informatie was het mogelijk ongeveer de helft van de slachtofferreductie in de periode 1980-2000 te verklaren uit maatregelen op het gebied van voertuigveiligheid, dragen van autogordels, rijden onder invloed en kleinschalige verkeerstechnische maatregelen. In het Sunflower-project zijn tevens de plannen bestudeerd die in Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Nederland bestaan voor verdergaande verbeteringen. Voor Nederland zijn hierbij de plannen uit het toenmalige NVVP betrokken. Opmerkelijk hierbij was de grote mate van overeenstemming tussen de landen ten aanzien van het ambitieniveau (tussen de 32% en 37,5% reductie in doden in een periode van tien jaar). Ook opmerkelijk was de overeenkomst in de terreinen waarop verdere winst geboekt zou kunnen gaan worden. Inmiddels wordt er in Nederland aan een nieuw beleid gewerkt (Nota Mobiliteit) en is het Nederlandse beleid niet meer precies duidelijk. Wel is duidelijk dat overwogen wordt in Nederland het ambitieniveau te verlagen door een hoger maximum aantal verkeersslachtoffers per jaar te accepteren. Specifieke onderwerpen waarop Nederland op dit ogenblik minder goed scoort komen ook uit het Sunflower-rapport naar voren. Er wordt aanbevolen nader naar deze onderwerpen te gaan kijken omdat hier wellicht mogelijkheden voor verbetering liggen: - hoge risico's bij de bromfiets; - strafmaat bij rijden onder invloed; - gordeldragen ook op de achterbank; - hogere risico's van Nederlandse. Dergelijke verbeterpunten zijn er ook voor Zweden (onder andere hoge rijsnelheden) en het Verenigd Koninkrijk (onder andere voetgangers, motorfietsen). Inmiddels is in Europa een vervolg op de Sunflower-studie gestart. Hierin zullen behalve Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Nederland ook Portugal, Spanje (Catalonië) en Griekenland participeren, alsmede Hongarije, Slovenië en Tsjechië. Deze studie ('SUNflowerplus6') zal eind 2005 gerapporteerd worden. In deze studie zal onder meer aandacht besteed worden aan voetgangers en gemotoriseerde tweewielers, snelheid, beginnende bestuurders en aan de uitvoering van effectief beleid in het algemeen.

Into a higher gear; Building on SUNflower: a comparative study of Europe's three safest countries: Sweden, the United Kingdom, and the Netherlands The Netherlands, Sweden, and the United Kingdom are the three safest countries in Europe, and indeed in the whole world. Their numbers of road casualties per inhabitant and per unit of traffic are the lowest of all. Moreover, these three countries have seen a decrease in the numbers of casualties during the last decades, and they have the ambition to lower them further still. This was the reason to compare and analyse the developments, policies followed, and policy implementation approaches in these countries. The results are presented in the 'SUNflower' (Sweden, United Kingdom, the Netherlands) report of 2002. This report gives an outline of the SUNflower study and continues to present the findings that are important for further promoting road safety in the Netherlands. A description and analysis of the road safety policies pursued in the three countries leads to the conclusion that the basis for successful developments lies in a society which recognizes road crashes as a relevant social problem. This is confirmed regularly in politics, as it should be. In all three countries, the drawing up and implementation of road safety plans has been a custom for many years now. The quality of these plans continues to improve because more knowledge has become available. In addition, experience has been gained from the implementation of previous plans. More or less the same subjects are dealt with in each successive plan, but each plan has its own unique implementation. To achieve successful implementation, it is important that the government, from within a specific body, takes the leading role and develops sufficient possibilities for policy innovation. Furthermore, adequate 'delivery mechanisms' are necessary. These mechanisms, in which governments, social organizations, and the private sector participate, implements large parts of policy with routine. In addition, sufficient funds are necessary, as well as a considerable degree of continuity in their availability. Finally, the professional must have sufficient knowledge available to formulate and implement effective and efficient policies. Much of the above is met in the Netherlands, and this perhaps also explains why the Netherlands is one of the top three in Europe. However, a number of points of attention for possible improvements can be suggested: a) a clearer profiling in society of the subject of road safety, b) emphasizing the leadership role of the Ministry of Transport where policy innovation is a core activity, c) increased continuity in policy implementation and the investments required, d) a better developed and closely cooperating network of organizations that can fulfil a function in the policy implementation, and e) keeping (or bringing) expertise up to date. With regard to concrete road safety developments, four subjects were worked out in the SUNflower study: drink-driving, wearing seatbelts, small-scale traffic engineering measures, and investing in a country's main road infrastructure. For each of these four subjects and in all three countries, an assessment was carried out of the progress made in the past (expressed in casualty reduction) and whether there are possibilities for further improvements. Concrete suggestions were made for these improvements. With the available information it was possible to explain that about half of the casualty reduction in the period 1980-2000 was achieved by measures in the field of vehicle safety, wearing seatbelts, drink-driving, and small-scale traffic engineering measures. The SUNflower project also studied the plans that exist in Sweden, the United Kingdom, and the Netherlands for further improvements. For the Netherlands, this was the (then) National Traffic and Transport Plan. The degree of similarity between the three countries regarding the level of ambition was striking: a reduction in fatalities of between 32% and 37.5% in a ten year period. Also remarkable was the similarity in the fields in which more improvements could be made. In the meantime, the Netherlands is working on a new policy, but the Netherlands policy is not precisely clear yet. It is, however, clear that the level of ambition will probably be lowered by accepting a larger maximum number of road casualties. The SUNflower report also brings forward specific subjects in which the Netherlands is less successful at this moment. Recommendations are made to examine these subjects further because they may offer possibilities for improvement: - high moped crash rates; - punishment of drink-driving; - seatbelt wearing also on rear seats; - higher crash rates on Dutch roads. For Sweden and for the United Kingdom the report also suggested subjects which offer possibilities for improvement. Among others, these were speeding for Sweden, and for the United Kingdom they were pedestrians and motorists. In the meantime, a follow-up of he SUNflower study has started in Europe. Besides Sweden, the United Kingdom, and the Netherlands, Portugal, Spain (Catalonia), and Greece will participate, as well as Hungary, Slovenia, and the Czech Republic. This study (called SUNflowerplus6) will be reported in late 2005. Among other matters, this study will pay attention to pedestrians and motorized two-wheelers, speed, novice drivers, and to implementing an effective policy in general.

Print this page