Publicatie

Persoonskenmerken van ongevalsbetrokkenen en overtreders

Relatie met gevaarherkenning, aandacht, hyperactiviteit, boosheid en empathie

Auteur(s)

Groot-Mesken, J. de; Schagen, I.N.L.G.

Jaar

2014

Downloaden

PDF-pictogram pdf (1.01 MB)

In dit onderzoek is gekeken naar de relatie tussen aan de ene kant enkele persoonskenmerken en aan de andere kant ongevals­betrokkenheid en overtredingsgedrag. Het doel was om die persoons­kenmerken te identificeren die het meest relevant zijn voor het beleid. Dat kan zijn omdat ze trainbaar zijn, maar ook omdat er in maatregelen rekening mee kan worden gehouden, bijvoorbeeld door de inhoud van een programma af te stemmen op de kenmerken van de deelnemersgroep. Uitgangspunt hierbij was dat er mensen zijn die vaker dan anderen betrokken zijn bij ongevallen en/of die vaker dan anderen overtredingen begaan en dat deze mensen via gerichte maatregelen, rekening houdend met die persoonskenmerken, beter te beïnvloeden zijn.

We hebben gekeken naar drie kenmerken die te maken hebben met de cognitief-perceptuele component van verkeersdeelname (gevaarherkenning en de aan ADHD – Attention Deficit Hyperactivity Disorder – gerelateerde symptomen aandachtsproblemen en hyperactiviteit) en twee kenmerken die te maken hebben met de sociaalpsychologische component van verkeers­deelname (wijze van uiten van boosheid en empathie). Het onderzoek is uitgevoerd met behulp van een elektronische aangeboden vragenlijst onder automobilisten met een rijbewijs B, maar niet met ‘groot’ rijbewijs (rijbewijs C en/of D), die minimaal 5.000 km per jaar reden. In totaal zijn 2.093 vragen­lijsten geanalyseerd. Het betrof hier deels een representatieve steekproef uit de Nederlandse populatie van rijbewijsbezitters, en deels een groep verzekerden bij een specifieke verzekeringsmaatschappij.

Uit de resultaten blijkt dat overtreders vaker dan niet-overtreders betrokken zijn bij een ongeval. Verder laten de resultaten zien dat  meer hyperactieve automobilisten en automobilisten die hun boosheid beter kunnen reguleren vaker een ongeval rapporteren. Een relatie met het reguleren van boosheid was niet verwacht en de richting van het gevonden verband is inhoudelijk ook tegen-intuïtief. Wellicht heeft een hoge score op het reguleren van boosheid een relatie met een andere bepalende variabele die in dit onderzoek niet is meegenomen.

Ook wanneer we alle kenmerken gezamenlijk bekijken, zijn hyperactiviteit en het reguleren van boosheid de twee persoonskenmerken die, samen met de achtergrondvariabele leeftijd, ongevalsbetrokkenheid het beste voorspellen. Hyperactieve automobilisten, automobilisten met aandachtsproblemen en automobilisten die agressief zijn bij het uiten van boosheid rapporteren vaker een of meer overtredingen. Verder hebben we ook gekeken naar de verbanden tussen de persoonskenmerken onderling. Daaruit bleek dat hyperactiviteit en aandachtsproblemen onderling samenhingen, evenals gevaarherkenning en empathie.

Al deze resultaten waren statistisch significant, maar in absolute zin zijn de verbanden niet erg sterk. Verder moeten we ons realiseren dat het aantal respondenten met een ongeval erg klein was. Het aantal overtreders was groter, maar nog steeds een minderheid. Het merendeel had in de afgelopen 12 maanden bovendien maar één ongeval of overtreding te melden en zijn dus niet de ‘brokkenmakers’ en regelmatige overtreders die we bij het begin van dit onderzoek op het oog hadden. Mogelijk zouden er voor respondenten met meer of ernstiger ongevallen of met meer overtredingen sterkere verbanden zijn gevonden.

De resultaten van deze studie bieden aanknopingspunten voor maatregelen op het gebied van rijopleiding en educatieve maatregelen. Daarbij valt onder andere te denken aan:

  • een training agressiebeheersing voor sommige deelnemers aan de Educatieve Maatregel Gedrag (EMG);
  • het informeren van (aspirant)bestuurders, rijinstructeurs en begeleid-rijdencoaches over symptomen van hyperactiviteit en de daarmee gepaard gaande risico’s;
  • het langer of intensiever volgen in de rijopleiding van jongeren met deze symptomen.

Personal characteristics of crash-involved drivers and offenders; Relation with hazard perception, attention, hyperactivity, anger and empathy

This study investigated the relationship between some personal characteristics on the one hand, and crash involvement and offending behaviour on the other. The goal was to identify the personal characteristics that are most relevant for policy. Relevant for policy may mean that these characteristics are trainable, but it may also mean that personal differences are taken into account in policy measures. For example, the content of a programme could be tailored to a specific target group. Starting point was that there are people who are involved in crashes more often than others and/or commit more offences than others and that these people can be influenced better through targeted measures, that take into account the personal characteristics.

Three characteristics were studied that are related with the cognitive-perceptual component of driving (hazard perception and attention problems and hyperactivity, the symptoms related to ADHD – Attention Deficit Hyperactivity Disorder) and two characteristics related to the social-psychological component of traffic participation (manner of expressing anger and empathy). The research was carried out using an electronic questionnaire among drivers who hold a B license, but no license for heavy vehicles (driving licence C and/or D), and who drive no less than 5,000 km per year. A total of 2,093 questionnaires were analysed. Part of these were a representative sample from the Dutch population of licence holders, and part were a group insured at a specific insurance company.

The results indicate that offenders are more frequently involved in crashes than non-offenders. Furthermore the results show that more hyperactive drivers and drivers who are better at regulating their anger report crashes more often. A relation with anger regulation was not expected and the direction of the relationship is also counter-intuitive. A high score on anger regulation may have a relation with another important variable that was not included in this study.

Also when all characteristics are considered, hyperactivity and anger regulation are the two personal characteristics which, together with the background variable age, best predict crash involvement. Hyperactive drivers, drivers with attention problems, and drivers who are aggressive in expressing anger more frequently report one or more offences. Furthermore, we also looked into the connections between the personality characteristics themselves. It was found that, as well as hazard perception and empathy, hyperactivity and attention problems are interrelated.

All these results were statistically significant, but the associations are not very strong in absolute terms. We also need to be aware of the fact that the number of respondents who had been involved in a crash was very small. The number of offenders was larger, but still a minority. Most had also only one accident or violation to report in the past 12 months and therefore are not the ‘accident-prone’ or regular offenders we envisaged at the beginning of this study. Stronger associations would possibly have been found if there had been respondents with more or more serious crashes or with more violations. 

The results of this study provide leads for measures in the field of training and educational measures. Possibilities are:

  • a training in aggression control for some participants in a Dutch driver rehabilitation course (Educatieve Maatregel Gedrag; EMG);
  • informing (prospective) drivers, driving instructors and accompanied driving coaches about symptoms of hyperactivity and the associated risks;
  • following the driver training of young people with these symptoms longer or more intensively.
Print this page
rapport

Rapportnummer

R-2014-11

Pagina's

40 + 9

Gepubliceerd door

SWOV, Den Haag