Publicatie

Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA): procesevaluatie

Evaluatie van het organisatorische proces rond de EMA-procedure

Auteur(s)

Lindeijer, Drs. J.E

Jaar

1997

Downloaden

PDF-pictogram pdf (2.1 MB)

Sinds 1 juni 1996 kan de minister van Verkeer en Waterstaat (en in zijn ofhaar naam de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)) onder bepaalde voorwaarden een educatieve maatregel opleggen aan mensen die als bestuurder van een voertuig in het verkeer door de politie zijn aangehouden onder verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 94), handelend over een alcoholmisdrijf in het verkeer. Het betreft hier een eerste educatieve maatregel ter bevordering van de verkeersveiligheid in de vorm van een cursus over alcohol en verkeer, de zogenaamde ‘Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA)'. De vorderingsprocedure, waarvan de EMA onderdeel is, is geregeld in de artikelen 130 t/m 134 van hoofdstuk 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 94) en wordt verder aangeduid als ‘art. 130 e.v.'. In opdracht van de Adviesdienst Verkeer en Vervoer van Rijkswaterstaat heeft de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV een procesevaluatie uitgevoerd van de (interne) gang van zaken rond de EMA-procedure. De procesevaluatie heeft zich gericht op de volgende onderdelen van de procedure: Instroom van mededelingen De politie - en in tweede instantie het Openbaar Ministerie (OM) - is verantwoordelijk voor het doen uitgaan van een mededeling aan het CBR waarin vermeld wordt dat het vermoeden bestaat dat de houder van een geldig rijbewijs niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of niet geschikt is voor het besturen van een motorrijtuig. Besluitvorming en verwerking In de ‘Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid' zijn criteria opgenomen waarin staat wanneer de Divisie Vorderingen (DV) van het CBR een ‘besluit EMA' kan nemen. De DV toetst feiten en omstandigheden die op de mededeling staan vermeld aan deze criteria, alvorens een besluit wordt genomen. Als wordt besloten EMA toe te kennen (betrokkene dient de cursus EMA te volgen), stelt de DV de betrokkene hiervan in kennis en int de verplichte eigen bijdrage voor deze cursus. Na ontvangst van het cursusgeld meldt de DV de betrokkene aan bij een instelling voor verslavingszorg. De DV verdedigt verder elk door haar genomen besluit voor de bestuursrechter, indien dat nodig blijkt. EMA-cursus Instellingen voor verslavingszorg - voorheen de Consultatiebureaus voor Alcohol en Drugs (CAD) zijn belast met de uitvoering van de EMA-cursus, hetgeen inhoudt: plannen van cursusdata, het geven van de cursus (drie cursusdagen en een individueel eindgesprek) en het rapporteren van de resultaten aan de DV (afloopbericht). Deze instellingen worden aangestuurd en gecontroleerd door de Nederlandse Vereniging van Instellingen voor Verlavingszorg (NeVIV; per 1 juli 1997 opgegaan in de vereniging Geestelijke Gezondheidszorg Nederland GGZN), die daarbij - als overkoepelend orgaan van de instellingen - optreedt als intermediair tussen het CBR en de afzonderlijke instellingen. Eindbesluit Op grond van de inhoud van het afloopbericht neemt het CBR een besluit of de geldigheid van het desbetreffende rijbewijs wel of niet gehandhaafd blijft. Ook hiervan stelt de DV de betrokkene op de hoogte. Bij ‘ongeldigverklaring' verzoekt de DV de betrokkene het rijbewijs in te leveren. Overgangsregeling Tijdens het eerste jaar dat art. 130 e.v. van kracht was, gold een overgangs-regeling die in het kort neerkwam op het volgende: - parketten van het OM zouden een mededeling aan het CBR uitbrengen als bleek dat de politie dat niet had gedaan; - er zou zorg gedragen worden voor een soepele overgang van de voorheen bestaande mogelijkheid om ‘bij bijzondere voorwaarden een Alcohol Verkeerscursus (AVC) op te leggen' door de strafrechter (deelname kosteloos en vrijwillig), en de start van de EMA (zowel een eigen bijdrage als deelname verplicht). Tijdens het onderzoek is speciale aandacht besteed aan organisatorische en bestuurlijke aspecten van de EMA-procedure, het op gang komen van de instroom van mededelingen, de ‘doorlooptijd' (bijvoorbeeld de tijd die ligt tussen het nemen van een besluit EMA door de DV en het eindbesluit) en mogelijke lacunes in de regeling. De algemene conclusie is dat na het eerste jaar dat art. 130 e.v. van kracht is de volgende zaken goed zijn geregeld: -de uitvoering van de vorderingsprocedure - betreffende de EMA - is goed op gang gekomen; -er zijn samenwerkingsverbanden ontstaan tussen de diverse instanties; -er heeft een soepele overgang plaatsgevonden van de strafrechtelijke naar de administratiefrechtelijke procedure; -er zijn nieuwe mensen aangetrokken en ingewerkt; -er is een goed functionerend informatiecircuit opgezet; -er heeft tussentijds bijsturing van onvolkomenheden plaatsgevonden; -alle instanties voeren of hebben hun taken en verantwoordelijkheden zo goed mogelijk uitgevoerd. Controle op en aandacht voor alcoholmisbruik in het verkeer blijkt bij alle betrokkenen hoog te scoren. Op een aantal onderdelen is nog verbetering nodig en/of gewenst: 1. Organisatie en besturing - Inzicht is gewenst in de omvang van: a.de groep mensen die de eigen bijdrage van de EMA-cursus weigeren te betalen en hun weigeringsgronden daarvoor, en; b.de groep mensen die niet op de EMA-cursus verschijnen, maar wel hebben betaald. - Inzicht is gewenst in het aantal ongeldig verklaarde, ingeleverde rijbewijzen. - De aanwerving van universitair geschoolde docenten voor het geven van EMA's zal moeilijk zijn en zal kostenverhogend werken. - Het huidige aanbod van EMA-cursisten vraagt om meer cursusruimten. - Politiekorpsen hebben nog behoefte aan voldoende interne deskundigen op het gebied van administratiefrechtelijke procedures. - Veel korpsen hebben nog behoefte aan geavanceerde, geautomatiseerde ondersteuning bij de afhandeling van de vaak ingewikkelde administratieve procedures. - Niet alle processen-verbaal betreffende alcohol worden in het herkenningssysteem van de politie (HKS) ingevoerd. Het aantal recidives ligt in werkelijkheid dus hoger. - De toegankelijkheid tot het HKS voor verbalisanten is niet optimaal, wat de controle door de politie op recidive bemoeilijkt. - De tekenbevoegdheid van mededelingen vraagt binnen de politiekorpsen nog aandacht. Op verbalisantenniveau zou tekenbevoegdheid kunnen worden verleend voor mededelingen die alléén betrekking hebben op alcohol. Alle interne deskundigen zouden tekenbevoegdheid moeten krijgen voor alle mededelingen, dus ook die welke niet alcohol betreffen. 2. Instroom van mededelingen - Iets minder dan de helft (46%) van de mededelingen wordt binnen twee weken na de laatste aanhoudingsdatum ontvangen door de DV. Ongeveer 35% van de mededelingen komt echter meer dan acht weken later binnen. Voor de totale duur van de vorderingsprocedure is dat ongewenst. 3. Doorlooptijd van de EMA-procedure - In de praktijk blijkt een betalingstermijn van tien weken realistisch. Gemiddeld werden de kandidaten na negen weken aangemeld bij de instellingen. - Tijdens het overgangsjaar is van tweederde van de aangemelde EMA-kandidaten, de procedure binnen vijf tot zes maanden afgehandeld. Degemiddelde duur van de afhandeling van de procedure lijkt zelfs in de loop van het jaar af te nemen, maar de streeftermijn van twaalf weken tussen aanmelding en afloopbericht wordt nog maar door weinig instellingen gehaald. Verbetering is vooral te behalen bij een meer regelmatige toezending van aanmeldingen bij de instellingen, de planningsduur (tijd tussen ontvangst van de aanmelding en eerste cursusdag), decursusduur (tijd tussen eerste cursusdag en eindgesprek) en ontvangst afloopbericht (tijd tussen eindgesprek en ontvangst afloopbericht). - Het inzetten van meer docenten, of docenten meer EMA's laten geven, zou ook een verbetering in de doorlooptijd geven. 4. Lacunes - Grenzen van alcoholcriteria (wanneer wel en géén mededeling dient te worden opgestuurd) zouden meer kunnen aansluiten bij de praktijk. - Indien een betrokkene naar een onderzoek is verwezen (besluit onderzoek) en het resultaat hiervan is dat het rijbewijs niet ongeldig behoeft te worden verklaard, dan zou deze betrokkene toch nog een EMA moeten volgen

The Alcohol and Traffic Educational Measure (EMA): A Process Evaluation Since 1 June 1996, the Minister of Transport and Public Works (and the Central Driving License Issuing Authority [CBR] acting under the minister's authority) has been able to make an educational measure mandatory for drivers who have been apprehended by the police under suspicion of violating Article 8, Paragraph 2 of the Road Traffic Act of 1994 (WVW 94), a piece of legislation dealing with alcohol-related traffic offenses. This is the first measure for promoting road safety by providing a course about alcohol and traffic, otherwise known as ‘The Alcohol and Traffic Educational Measure' (or EMA). The SWOV Institute for Road Safety Research has carried out a process evaluation of how well the EMA procedures have been operating internally. This assessment focused on the following elements: -The turning in of notices: the police (and, secondly, the Public Prosecutions Department) are responsible for sending a notice to the CBR stating the presumption that the holder of a valid driving licence does not possess the required driving skill and/or is unable to drive a motor vehicle. -Decision-forming and processing: The CBR's Collection Division (DV) compares the facts and circumstances stated on the notice against the criteria formulated for this purpose and makes a decision as to whether or not the person will be required to take the EMA course (‘EMA decision'). If a decision is made in favour of the EMA course, the DV informs the person, and the required contribution to be paid by the person taking the course is collected. Next, the DV reports the person to a facility for the care and treatment of drug addiction. -The EMA course: facilities for the care and treatment of drug addiction are responsible for scheduling the days for offering the course, providing the course, and reporting the results to the DV (in the form of a final report). -The final decision: based on the contents of the final report, the CBR decides whether the validity of the person's driving license will be upheld. The DV also informs the person about this decision. In case of an invalidation, the DV requests that the person turn in his/her driving license. Now that a year has passed since these articles of law have been in force, itcan generally be concluded that the following matters are well organised: -the implementation of the collection procedure is off to a good start; -cooperation has developed among the agencies; -a smooth transition between a criminal procedure to an administrative procedure has occurred; -new people have been attracted and taught their jobs; -a well-functioning system for the exchange of information has been established; -in the meantime, inadequacies have been corrected. Improvement is still needed or desired in regard to a number of other elements. More information is desired, for example, about the sizes of: (a) the group of people who refuse to contribute what they owe to pay for the EMA course, and what their reasons for refusal are and (b) the group of people who fail to attend the EMA course even though they have paid. Itwould also be helpful to know how many driving licences which have been declared invalid have been turned in. Moreover, the current number of people enrolled in the EMA courses is requiring more class space. Improvements also need to be made within the police corps itself; there is more need for internal expertise in the area of administrative-judicial procedures, and for advanced, automated support to deal with the frequently complicated administrative procedures. Other organisational problems noted are: (a) not all official police reports concerning alcohol-related offenses are entered into the police identification system (HKS) which means that the number of repeated offenses is actually higher, and (b) the reporting officers' access to the HKS is not the best it could be, a fact that hinders attempts on the part of the police to control repeated offenses. The turning in of notices is not running as well as it should either. Somewhat less than half (46%) of the notices are being received by the DV within two weeks after the last arrest date. Approximately 35% of the notices, however, arrive more than eight weeks later. This is undesirable in terms of the total duration of the collection procedure. To reduce the turnover time for the EMA procedure, there should be a more frequent reporting of persons to the treatment facilities, and less time taken for: the scheduling interval (time between receiving the referral and the first day of the course), the duration of the course (time between the first day of the course and the final meeting), and receiving the final report (time between the final meeting and the receipt of the final report). Introducing more instructors, or allowing instructors to give more EMA's, would reduce turnaround time. Finally, a few gaps exist. One example is that the restrictions associated with alcohol criteria (to determine when a notice should or should not be sent) should better fit the practical situation. Another point in this regard is the meaning of the ‘research decision'. When this results in deciding that the driving license need not be declared invalid, this person should still have to take an EMA course

Print this page
rapport

Rapportnummer

R-97-22

Pagina's

57

Gepubliceerd door

SWOV, Leidschendam