Publicatie

Routekeuze van automobilisten

Resultaten van een vragenlijstonderzoek

Auteur(s)

Goldenbeld, Ch.; Drolenga, J.; Smits, A.

Jaar

2007

Dit rapport doet verslag van een vragenlijstonderzoek naar routekeuze van automobilisten in de regio Den Haag. Aan meer dan 400 automobilisten uit vier woongebieden op 20-25 km afstand ten noorden van Den Haag is gevraagd welke routes zij regelmatig met de auto naar Den Haag rijden, en welke alternatieve routes zij eventueel nemen. Het onderzoek beoogt een beeld te krijgen van het routekeuzegedrag van automobilisten en van de verschillende factoren die daar mogelijk bij meespelen. Twee vragen staan in het onderzoek centraal: 1. Welke routes kiezen automobilisten naar Den Haag onder normale omstandigheden en welke redenen hebben zij daarvoor? 2. In welke mate en waardoor laten automobilisten zich beïnvloeden om een alternatieve route te nemen? Aan de resultaten uit dit onderzoek — actuele, valide, Nederlandse gegevens uit de praktijk — kunnen in een latere fase meer theoretische modellen over routekeuzegedrag worden geijkt. Het gebruik van routes over autosnelwegen blijkt voor de verschillende woongebieden ongeveer 25 percentagepunten uiteen te lopen. Vanuit de omgevingen Leiden en Oegstgeest rijdt 85-97% een rit die voor een groot deel over autosnelweg en autoweg gaat; vanuit de omgevingen Katwijk en Noordwijk is dat 60-70%. Het overige deel van de automobilisten (25% van het totaal) rijdt doorgaans over een route die een combinatie is van autoweg en wegen van lagere orde. Rijdt het merendeel van de automobilisten normaal gesproken vooral over de auto(snel)weg, als alternatieve route noemen ze vaak een route over het onderliggend wegennet (ongeveer 28%). De route via 'Wassenaar binnendoor' is daarvan de belangrijkste. Bijna een derde van de automobilisten heeft geen alternatieve route (31%). Over het geheel genomen rijdt ongeveer twee op de vijf automobilisten wel eens over (grotendeels) onderliggend wegennet naar Den Haag, al dan niet daartoe uitgenodigd door files of vertragingen op andere delen van het wegennet. Met name wanneer — zoals hier — de afstand niet veel meer dan 20 km bedraagt en wanneer een snelle, korte aansluiting op het autosnelwegennet ontbreekt, kunnen routes over het onderliggend wegennet qua reistijd en -afstand concurreren met die over het autosnelwegennet. Automobilisten noemen in dit onderzoek de motieven ‘snelste route’ en ‘kortste route’ verreweg het meest als eerste reden voor routekeuze. De reden ‘bekendheid met route’ komt in dit onderzoek op de onbetwiste derde plaats. De reden ‘veiligheid’ speelt vrijwel geen rol. De bevinding dat ‘snel’ en ‘kort’ er uitspringen als de twee voornaamste motieven bij routekeuze bevestigt resultaten uit ander onderzoek. En ook in microsimulatiemodellen, waarin de verkeersafwikkeling en de gedragskeuzen van automobilisten op een wegennetwerk zo goed mogelijk worden nagebootst, wordt vaak verondersteld dat 'snelste' en 'kortste' de belangrijkste motieven voor routekeuze zijn. De flexibiliteit in routekeuze blijkt onder andere afhankelijk te zijn van de frequentie van de ritten: hoe vaker men naar Den Haag rijdt, hoe vaker men verschillende routes afwisselt. Daarnaast blijkt ook ervaring met vertraging tijdens de ritten van invloed te zijn. Het (regelmatig) hebben van een vertraging van 15 minuten of langer motiveert automobilisten niet alleen om vaker een alternatieve route te nemen, maar ook om meer en beter gebruik te maken van verkeersinformatie.

Motorists' route choice; Results of a questionnaire study This report presents the results of a survey about route choice among motorists in the area around The Hague. More than 400 motorists living in four areas about 20-25 kilometres north of The Hague answered questions about the routes they normally use to drive by car to The Hague and what alternative routes they also use. The study aims to produce a picture of motorists' route choice and the various factors that possibly play a role. There were two main research questions: 1. Which routes do motorists choose to drive to The Hague under normal circumstances and what are the reasons for doing this? 2. To what extent do motorists use an alternative route and what are the reasons for doing it? The results of this study consist of up-to-date, valid data from Dutch real-life route choice. In a later phase of this research, they can be used to calibrate route choice models that are more theoretical. There is a difference of about 25 percentage points in the use of motorway routes for the four areas. From the areas in Leiden and Oegstgeest 85-97% drive a route mainly on motorway and trunk road; from the areas in Katwijk and Noordwijk this is 60-70%. The remaining 25% of all the motorists usually drive along a route that is mostly a combination of trunk road and secondary roads. Although the majority of the motorists normally drive on motorway or trunk road, about 28% said that they, as alternative, often ride along a route of secondary roads. The route through the city of Wassenaar is the most important of these. Nearly a third of the motorists (31%) said that they had no alternative route. Generally speaking, two out of five motorists sometimes drive most of the way to The Hague along secondary roads, whether or not because of delays on other roads. As is the case here, if the distance is not longer than 20 kilometres and if there are no fast and short approach roads to a motorway, the preferences for routes along the secondary road network can compete with route preferences for the motorway network, as far as journey time and distance are concerned. In this study motorists gave the answers 'quickest route' and 'shortest route' as by far the most frequent main motives for their route choice. The easily third most frequent motive was 'familiarity with route'. The motive 'safety' was rarely given. The answers 'quick' and 'short' as by far the most common route choice motives confirm the results of other studies. Also micro-simulation models in which traffic dispersion and motorist behaviour on a road network are simulated as accurately possible, often assume that 'quickest' and 'shortest' are the most important motives for route choice. The flexibility in route choice depends, among other matters, on the frequency of the journeys: the more often one drives to The Hague, the more often one uses different routes. What is also important is the experience with delays during the journey. A more or less regular delay of 15 minutes or more, motivates motorists to not only use an alternative route more often but also to use traffic information more frequently and better.

Print this page