Publicatie

Methoden en instrumenten voor het onderbouwen van verkeersveiligheidsbeleid

Een inventarisatie

Auteur(s)

Aarts (red.), L.T.

Jaar

2011

Downloaden

PDF icon pdf (963.23 KB)

Dit rapport biedt een geactualiseerde, uitgebreide inventarisatie van methoden en instrumenten die door beleidsmakers op regionaal niveau maar ook daarbuiten, (kunnen) worden gebruikt om verkeersveiligheidsbeleid te vormen, te prioriteren of te onderbouwen. Het bouwt daarbij voort op eerdere, soortgelijke overzichten, die echter minder methoden bevatten en ze ook minder uitgebreid behandelen. Het overzicht is in eerste instantie bedoeld om beleidsmakers en hun ondersteuners op regionaal maar ook op landelijk en lokaal niveau, beter inzicht te bieden in de methoden en instrumenten die hun ter beschikking staan en om hun te laten zien welke kenmerken, zoals kwaliteit en gebruiksvriendelijkheid, die hebben. Een tweede doel van deze publicatie is om beleidsmakers te laten zien welke methoden beter of minder geschikt zijn om bepaalde beleidsvraagstukken mee te onderbouwen. Een derde, nog verdergaand doel van dit rapport is om een basis te vormen voor uiteindelijk meer afstemming in de methoden en instrumenten waarmee in Nederland verkeersveiligheidsbeleid wordt onderbouwd. Deze publicatie is bedoeld als eerste aanzet voor een discussie hiertoe en om handvatten te bieden voor vervolgacties. Een methode definiëren we als een gestructureerde, gestandaardiseerde en transparante werkwijze om van een bepaald vraagstuk naar een oplossing te komen volgens vooraf vastgestelde normen. Met een instrument bedoelen we een applicatie die gebruikmaakt van één of meer methoden. De methoden en instrumenten die in dit rapport besproken worden, zijn gekozen op de volgende kenmerken: ze moeten beschreven staan én specifiek gericht zijn op verkeersveiligheid. Het gaat dus niet om algemeen gebruikte methoden voor verkeersveiligheidsonderzoek (zoals experimentele technieken) of instrumenten voor de presentatie van verkeersveiligheidsgegevens (zoals Cognos, VIAstat of VERAS). Op basis van bovenstaande criteria zijn 37 methoden en instrumenten geanalyseerd. Om te beginnen is elke methode beschreven en is van elke methode het volgende nagegaan: doel, doelgroep, ontwikkelaar, beheerder, toepasser, benodigde input, output, status (toestand van de methode), huidig gebruik, maatschappelijk/politiek draagvlak, kosten en wetenschappelijke kwaliteit. Onder dit laatste aspect verstaan we hier: 1) wetenschappelijke inzichten als basis, 2) statistisch verantwoorde verwerking van gegevens, 3) betrouwbaarheid en 4) validiteit. Op basis van deze beschrijvingen en analyses zijn we nagegaan welke methoden nu voldoen aan criteria die voor beleidsmakers relevant zijn. Daarbij hebben we gekeken naar de relatie met de fasen in het beleidsproces, naar kenmerken in relatie tot doelgroep en toepassing, en naar kenmerken in relatie tot gegevens die nodig zijn om de methode te laten werken. Bij deze analyse valt op dat sommige kenmerken veel en andere weinig voorkomen. Zo zijn veel methoden gericht op het analyseren van problemen en het prioriteren van locaties en veel minder op het voorspellen van effecten van beleid. Ook zijn veel methoden gericht op (regionale) wegbeheerders en daarmee op infrastructurele maatregelen, vooral op (detail)wegvakniveau; er zijn relatief weinig specifieke methoden voor doelgroepgericht beleid. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat er meer of minder methoden met bepaalde kenmerken zouden moeten komen. Dit rapport bevat daarover ook een beschouwing. Omdat er om verschillende redenen steeds minder ongevallen- en slachtoffergegevens beschikbaar komen, is er met name bij regionale en lokale beleidsmakers behoefte aan methoden die hen kunnen ondersteunen bij de beleidsvorming zonder dat ze per se afhankelijk zijn van ongevallengegevens. Dit overzicht toont aan dat er al behoorlijk wat methoden bestaan die in deze behoefte kunnen voorzien. Veel methoden maken weliswaar gebruik van objectieve gegevens, maar dat zijn lang niet altijd (alleen) ongevallengegevens. Een klein deel maakt gebruik van subjectieve gegevens, waarbinnen ook weer verschillen te onderscheiden zijn, zoals informatie van burgers en inschattingen van experts. Ook behandelen we de vraag of er overlap is tussen methoden en welke methoden te prefereren zijn boven andere, gegeven die overlap. Om die vraag te kunnen beantwoorden bekijken we eerst wat de kwaliteit is van de verschillende methoden. Wat betreft de wetenschappelijke kwaliteit blijkt dat die van de meeste methoden onbekend is en hoogstens ingeschat kon worden op basis van de beschrijving. Als we afgaan op het huidige oordeel van wetenschappelijke kwaliteit, zoals beschreven in dit rapport, dan blijken er slechts vijf van de 37 methoden en instrumenten redelijk hoog te scoren (op drie van de vier bekeken wetenschappelijke kenmerken). Omdat het hierbij veelal om ingeschatte kwaliteit gaat, is dit echter een zeer voorlopige bevinding. Voor een goed beeld van de meest bruikbare methoden is verder onderzoek naar de wetenschappelijke kwaliteit noodzakelijk. Om het beeld te completeren hebben we ook gekeken naar het (ingeschatte) politieke/maatschappelijke draagvlak van de methoden. Uit deze analyse komen aanwijzingen dat methoden die beter scoren op wetenschappelijke kwaliteit, over het algemeen iets minder hoog scoren op draagvlak, en vice versa. We doen suggesties wat hiervan de oorzaken zouden kunnen zijn en hoe dit is te verbeteren. Uiteindelijk kan de vraag welke methoden te prefereren zijn niet beantwoord worden zonder daarbij de gestelde verkeersveiligheidsvragen en de wensen van beleidsmakers te betrekken. Dit rapport toont aan de hand van een aantal voorbeelden aan welke methoden in welke situaties uitkomst kunnen bieden. Een zoekapplicatie die het mogelijk maakt kenmerken van verschillende methoden interactief te vergelijken, zou hierbij een hulpmiddel kunnen zijn. De inzichten uit dit rapport kunnen in de toekomst worden gebruikt bij het ontwikkelen van een nieuwe of een gecombineerde methode. Een stappenplan daarvoor zou er als volgt uit kunnen zien: 1. Breng de belangrijkste — en steeds terugkerende — beleidsvragen op het gebied van verkeersveiligheid in beeld. 2. Die beleidsvragen zouden liefst landelijk moeten worden vastgesteld, zodat er met gebundelde krachten naar een aantal kernmethoden kan worden toegewerkt die antwoord geven op de geïdentificeerde beleidsvragen. 3. Selecteer hiervoor de meest geschikte methoden of signaleer het indien geen van de bestaande methoden de vraag voldoende kan beantwoorden. 4. Onderzoek de wetenschappelijke kwaliteiten van de methoden en ontwikkel wetenschappelijk goede methoden voor die onderwerpen waarvoor lacunes zijn geconstateerd. 5. Selecteer dan die methoden die voldoende wetenschappelijke kwaliteit hebben. 6. Vul deze geselcteerde methoden zo nodig aan met die onderwerpen die daarin nog onvoldoende worden behandeld. 7. Beveel gebruik van de geselecteerde en zo nodig aangepaste methoden aan. 8. Uiteindelijk kan tot een uniform gebruik van methoden worden gekomen; zo kunnen beleid en beoordeling van de stand van zaken in verschillende regio's en lokale gebieden vergeleken worden. De SWOV beveelt aan in de toekomst meer samenwerking te zoeken tussen wetenschappers en beleidsmakers als het gaat om het ontwikkelen van methoden. Ook beveelt de SWOV aan een discussie te starten over de noodzaak om een selectie te maken van de methoden ten bate van hoogwaardigere kwaliteit in de producten die als beleidsondersteuning worden gebruikt. Kennisinstituten en adviesbureaus zouden — ieder op hun eigen wijze — hierbij een intermediërende rol kunnen vervullen. Tot slot nodigen we iedereen die dit rapport leest en aanvullingen heeft over de beschreven of nog niet beschreven methoden en instrumenten, uit dit aan ons kenbaar te maken via info@swov.nl onder vermelding van 'Inventarisatie methoden en instrumenten'.

Methods and instruments that can be used as a basis for road safety policy; An inventory This report presents an updated, extensive inventory of methods and instruments that are used or can be used by policy makers at regional and other levels to make, prioritize or substantiate road safety policy. This inventory makes use of earlier, similar surveys, which, however, contain fewer methods and discuss them less extensively. The inventory is first of all intended to provide policy makers and their assistants at the regional, national and local level, with a better insight in the methods and instruments that are available to them. The inventory also shows them which characteristics, like quality and user-friendliness, these methods have. A second purpose of this publication is to show policy makers which methods are better or less suitable to serve as a basis for specific policy issues. The third, more far-reaching purpose of this report is to be a basis for a better harmony regarding methods and instruments that are used in the Netherlands to substantiate road safety policy. This report is intended to initiate a discussion about this topic and to serve as a support for further action. In this inventory, a method is defined as a structured, standardized and transparent routine to turn a problem into a solution according to previously set standards. An instrument is defined as an application that makes use of one or more methods. The following characteristics were used to choose the methods and instruments that are presented in this report: they must both be documented and be specifically aimed at road safety. This means that generally used methods for road safety research (e.g. experimental techniques) or instruments for the presentation of road safety data (e.g. Cognos and GIS-programmes like VIAstat and VERAS) are not included. Based on the above criteria, 37 methods and instruments were analysed. This inventory first describes each method and reports the following details: aim, target group, developer, manager, applicant, required input, output, state of the method, present usage, social/political support, costs, and scientific quality. Scientific quality is here defined as: 1) being based on scientific insights, 2) statistically sound use of data, 3) reliability, and 4) validity. Based on these descriptions and analyses this inventory describes which methods meet the criteria that are relevant for policy makers. To this end, we looked at the relation with the phases in the policy process, at characteristics in relation with the target group and application, and at characteristics in relation with the data that is required for the functioning of the method. It is notable in the analysis that some characteristics occur frequently and others occur rarely. For example, many methods focus on analysing problems and prioritizing locations; only a few methods pay attention to predicting the effects of measures. Furthermore, many methods are aimed at (regional) road authorities and, consequently, at infrastructural measures, especially at the (detailed) road section level; specific methods for target group focused policy are relatively rare. This does not necessarily mean, however, that there should be more or fewer methods with certain characteristics. This report also considers this issue. Because increasingly fewer crash and casualty data is available, regional and local policy makers in particular need methods that can support them in policymaking without being dependent on this data. This inventory shows that fairly many methods are already available that can fill this need. Although many methods make use of objective data, in many cases this is not (just) crash data. A small proportion makes use of subjective data, such as information obtained from citizens and estimations by experts. The inventory also discusses overlap between methods and which methods are to be preferred given such overlap. To do so, the quality of the different methods is investigated first. The scientific quality of most methods appears to be unknown and could at best be estimated on the basis of the description. By the present assessment of scientific quality as is used in this report, only five of the 37 methods and instruments have a fairly high score (on three of the four scientific characteristics that were investigated). As the quality is often an estimate, the finding is very tentative. Further study is required to obtain a good picture of the most workable methods. The (estimated) political/social support for the methods is also investigated to obtain an overall picture. This analysis indicates that methods with a higher score for scientific quality generally have a somewhat lower score for support, and vice versa. Suggestions are made about the causes and about possible ways to improve this. In the end, it cannot be decided which methods are to be preferred without looking at the road safety questions which are posed and the policy makers' wishes. Using some examples, this report indicates which methods can be used in which situations. A search application that makes interactive comparison of different methods possible could be a useful tool. In the future, the findings in this report can be used for developing a new or a combined high-quality method. A step-by-step plan could look like this: 1. Make clear the most important — and repeating — policy questions in relation with road safety. 2. These policy questions should preferably be determined in a nationwide overview, so that joint efforts can be made to work towards core methods to solve identified policy questions. 3. Select the most suitable methods for this or, alternatively, point out the fact that that none of the existing methods can sufficiently solve the question. 4. Investigate the scientific quality of the existing methods and develop scientifically sound methods for the subjects where shortcomings have been identified. 5. Select the methods with sufficient scientific quality. 6. If necessary, supplement these methods with those subjects that are given insufficient attention. 7. Recommend application of the selected and possibly adapted methods. 8. In the end, uniform use of methods can be achieved; this allows comparison of policy and assessment of the state of affairs in different regions and local areas. SWOV recommends seeking for stronger cooperation between scientists and policy makers from now on, when the development of methods is involved. SWOV also recommends initiating a discussion about the need to come to a selection of methods to achieve a higher quality of the products that are used to support policy. Knowledge institutes and consultancies could — each in its own way — play a mediating role. Finally, we invite every reader of the report who has additions about he methods that are described or those methods and instruments that have not yet been discussed, to inform us via info@swov.nl mentioning 'Inventory methods and instruments'.

Print this page
rapport

Rapportnummer

R-2011-3

Pagina's

134 + 14

Gepubliceerd door

SWOV, Leidschendam