Publicatie

Internationale en nationale kennis over politietoezicht in het verkeer

Een covernota naar aanleiding van drie literatuurstudies uit 1994

Auteur(s)

Goldenbeld, Dr. Ch. ; Oei, Ir. H.L

Jaar

1994

Downloaden

PDF-pictogram pdf (1.88 MB)

In opdracht van de Adviesdienst Verkeer en Vervoer van Rijkswaterstaat is een covernota geschreven naar aanleiding van drie recente literatuurreviews over de effecten van politietoezicht op verkeersovertredingen. Hetdoel van de nota is drieledig: 1.Aangeven wat de voornaamste algemene conclusies zijn over de effectiviteit en efficiëntie van politietoezicht; 2.Aangeven welke kennis uit de internationale literatuur van belang is of zou kunnen zijn voor de Nederlandse situatie; 3.Aangeven welke ontbrekende kennis voor Nederland nuttig zou kunnen zijn. Hoofdstuk 2 bespreekt het review van Hakkert, van een beperkt deel van de internationale literatuur. In dit hoofdstuk wordt politietoezicht geplaatst als één factor binnen het totale verkeersveiligheidssysteem, dat ook wetten, regels, infrastructuur, en de sociale en culturele omgeving omvat. Hoofdstuk 3 behandelt de internationale kennis over het toezicht op rijden onder invloed. In Nederland blijven we aangewezen op een zo efficiënt mogelijk gebruik van beperkte middelen. Het optimaliseren van de handhaving van rijden onder invloed vereist dat de politie-inzet zo goed mogelijk wordt verspreid over tijd en ruimte. Kernpunt van een optimale strategie is dat potentiële overtreders het idee hebben dat de politie regelmatig controleert op tijdstippen waarop veel mensen, inclusief zijzelf, drinken en vervolgens rijden onder invloed. Hoofdstuk 4 gaat in op de internationale kennis over het toezicht op rijsnelheden. Bevindingen uit het review van Zaal die relevantie hebben voor de Nederlandse situatie zijn dat 1. overwogen zou kunnen worden om naast een maximum-snelheid ook een minimum-snelheid in te voeren (hierbij kunnen evenwel kanttekeningen worden geplaatst); 2. de hoogte van een snelheidslimiet geloofwaardig en acceptabel moet zijn voor de meerderheid van de weggebruikers; 3. automatische controle met foto van de overtredende auto een betere betalingsbereidheid oplevert (hetgeen in Nederland niet opgaat); 4. automatisch controle sociaal geaccepteerd wordt (voor Nederland valt hierover nog weinig te zeggen). Hoofdstuk 5 besteedt aandacht de handhaving van het gordelgebruik. Dedrie belangrijkste conclusies voor de Nederlandse situatie zijn: 1. Het integreren van toezicht op gordelgebruik met andere toezichtactiviteiten is zeker kosten-effectief. 2. Het belang van toezicht op gordelgebruik wordt door de politie vaak onvoldoende onderkend. 3. Het is waarschijnlijk dat het effect van toezicht op gordelgebruik nog versterkt kan worden door het hanteren van beloningen. Hoofdstuk 6 behandelt het politietoezicht op roodlichtnegatie. Roodlicht Camera Installaties zijn effectief in het reduceren van roodlichtnegatie. Deze camera's zijn relatief gemakkelijk en goedkoop verplaatsbaar over kruisingen. Als we ervan uitgaan dat de Australische 6 op 1 ratio bij benadering ook geldt voor Nederland, dan zijn 4 camera's voldoende voor pakweg 24 kruisingen met verkeersregelinstallatie. De aanschaf, het onderhoud en de verplaatsing van 4 camera's in het eerste jaar zou ruw geschat waarschijnlijk niet meer dan een half miljoen gulden kosten

The Transport Research Centre of the Ministry of Transport and Public Works had commissioned a report following three recent literature reviews about the effects of police supervision on traffic offences. The aim of the report is threefold: 1.To indicate what the main general conclusions are about the effectiveness and efficiency of police supervision; 2.To indicate what information might be useful for the Netherlands. Chapter 2 discusses the review by Hakkert of a limited section of the international literature. In the chapter police supervision is mentioned as one factor within the entire road safety system, which also includes laws, regulations, infrastructure and the social and cultural environment. Chapter 3 deals with international experience of policing drink-driving. In the Netherlands we have to rely on using the limited resources available as efficiently as possible. In order to optimize the enforcement of drink-driving, police resources have to be spread as effectively as possible over space and time. The crucial point in an optimum strategy is that potential offenders think that the police make regular checks at times when a lot of people, including they themselves, have a drink and then drive under the influence of alcohol. Chapter 4 examines international experience of policing speed limits. Findings of the review by Zaal that are relevant to the Dutch situation are that 1. consideration might be given to introducing a minimum speed limit alongside the present maximum speed limit (comments may be made on this point however); 2. speed limits must be credible and acceptable for the majority of road users; 3. automatic surveillances using photos of the speeding vehicle make offenders more willing to pay the fine (which does not apply in the Netherlands); 4. automatic surveillance is socially accepted (little can be said about this in the case of the Netherlands). Chapter 5 looks at enforcing the use of seat belts. The three main conclusions for the Dutch situation are: 1; The integration of policing the use of seat belts with other policing activities is definitely cost-effective. 2. The importance of policing the use of seat belts is often inadequatly recognized by the police. 3. It is likely that the effect of policing the use of seat belts can be reinforced by operating a reward system. Chapter 6 deals with policing the offence of ignoring a red light. Red light Camera Installations are effective in reducing this offence. These cameras are relatively easy and cheap to install at junctions. If we assume that the Australian 6 t 1 ratio also approximately applies to the Netherlands, 4 cameras woud be sufficient for about 24 junctions with a traffic control installation. The purchase, maintenance and installation of 4 cameras in the first year would, at a rough estimate, probably cost no more than half a million guilders

Print this page
rapport

Rapportnummer

R-94-54

Pagina's

40 + 5

Gepubliceerd door

SWOV, Leidschendam