Publicatie

Emoties bij vrachtautochauffeurs, uitgebreide versie

Gedetailleerde uitwerking van een vragenlijststudie naar emoties en stemmingen in diverse verkeerssituaties en de relaties met onveilig gedrag

Auteur(s)

Levelt, Dr. P.B.M.

Jaar

2002

Downloaden

PDF-pictogram pdf (1.07 MB)

Vrachtautochauffeurs ervaren op de weg zowel de prettige als de onprettige kanten van hun werk. Het werk zelf wordt vaak prettig gevonden, maar de speciale maatregelen voor vrachtauto’s worden soms onprettig of zelfs irritant gevonden. Deze vragenlijststudie onder vrachtautochauffeurs gaat erover of deze emoties consequenties hebben voor veilige en onveilige gedragingen. Het onderzoek bestaat uit drie onderdelen. In het eerste werd onderzocht of er verkeerssituaties zijn die met het inhaalverbod voor vrachtauto’s en de snelheidsbegrenzer voor vrachtauto’s te maken hebben. Er werd aan 85 vrachtautochauffeurs gevraagd hoe frequent ze deze situaties tegenkomen en hoe ‘vervelend’ ze die vinden. In het tweede deel van het onderzoek werd onderzocht hoe, vooral negatieve, emoties zich in zes van deze verkeerssituaties ontwikkelden en wat hiervan de consequenties waren voor gedrag en veiligheid. Dit werd onderzocht aan de hand van stellingen die aan 206 vrachtautochauffeurs werden voorgelegd. In het derde deel van het onderzoek werd meer in het algemeen de ‘emotionele huishouding’ onderzocht: welke stemmingen en emoties zijn er in het algemeen aanwezig vóór en tijdens het rijden en hoe hangen deze samen met (on)veiligheid. Aan alle vrachtautochauffeurs werden vragen gesteld over leeftijd, ervaring, soort transport, afgelegde afstanden, en ook over overtredingen, bekeuringen, bijna-ongevallen en ongevallen. Verkeerssituaties door inhaalverboden en snelheidsbegrenzer Uit het eerste deel van het onderzoek blijken van de 32 verkeerssituaties een aantal aan beide maatregelen, inhaalverbod en snelheidsbegrenzer, geweten te worden. Daarvan worden het meest irritant gevonden: - niet langs een langzame vrachtauto kunnen; - geen constante snelheid kunnen houden; - in colonne moeten rijden; - een andere vrachtwagen heel dicht achter zich hebben om de chauffeur sneller te laten rijden (‘dicht op rijden’). Deze vier situaties worden wel veel vaker aan het inhaalverbod dan aan de snelheidsbegrenzer geweten. Ook werden er irritante verkeerssituaties aangewezen die als het gevolg van één van beide maatregelen worden gezien. Conflictsituaties met bestuurders van ‘luxewagens’ (personenauto’s) worden over het algemeen vervelender gevonden dan die met vrachtautochauffeurs, ook al komen ze minder voor. Dit is een aanwijzing voor grotere empathie met vrachtautochauffeurs. Opvallend is verder dat de inhaalverboden irritanter worden gevonden dan snelheidsbegrenzers, en aanleiding zijn tot meer boosheid. Ontwikkeling van emoties in verkeerssituaties Emoties ontstaan als een belang (norm, wens, verlangen, attitude) wordt geschaad of bevorderd. Hierdoor ontstaan gevoelens (boosheid, trots, enzovoort), actietendensen (neigingen om actie te ondernemen) en acties (openlijke gedragingen, gedachten, expressies). Dit ‘emotieproces’ is onderzocht bij vrachtautochauffeurs in het tweede deel van dit onderzoek. Een belang dat onder andere geschaad wordt is dat men niet lekker in eigen tempo kan rijden. Dat kan betekenen dat men tijdverlies ervaart. Maar het kan ook zijn dat men langzamer of sneller moet rijden dan men wil. Opvallend is verder dat men niet graag medeweggebruikers ophoudt. Aantasting van veiligheid komt ook regelmatig voor. Vrijheid, controle en tijd zijn minder in het geding. De gevoelens ergernis en boosheid volgen als men iemand anders de schuld geeft en zich tegelijkertijd geschaad voelt in een belang. Deze negatieve gevoelens leiden tot acties die in drie typen kunnen worden onderscheiden: ‘actief vooruit’ (dicht op rijden, proberen in te halen bij inhaalverbod, knipper en of toeteren), ‘uitingen’ (mopperen tegen collega’s, de ander aanspreken, vloeken op de maatregelen, knipperen of toeteren, hard rijden na afloop) en ‘doorzetten-afzakken’ (bij moeilijk inhalen: onverstoorbaar doorrijden, sneller gaan rijden, zich juist niet laten afzakken, hard rijden na afloop). Jongere chauffeurs ageren iets meer dan oudere. Het zal duidelijk zijn dat veel van deze acties niet veilig zijn of weer tot onveilige acties van anderen kunnen leiden. De opluchting is erg sterk wanneer dergelijke verkeerssituaties ophouden. Vrachtautochauffeurs begaan meer overtredingen en krijgen meer bekeuringen wanneer ze meer schade aan belangen ervaren, meer negatieve gevoelens hebben, en vooral wanneer ze meer ageren. Kortom, wanneer ze emotioneler zijn in deze situaties. Stemmingen, emoties en onveiligheid In het derde deel van het onderzoek is in algemenere zin naar de ‘emotionele huishouding’ (stemmingen en emoties) gekeken. Er blijken drie soorten stemmingen te kunnen worden onderscheiden: een ‘energieke’ stemming, een ‘goede, kalm-ontspannen’ stemming, en een ‘gejaagd-geïrriteerde’ stemming. Deze stemmingen hangen niet samen. Dit betekent bijvoorbeeld dat als men vaker in een goede, kalm-ontspannen stemming is, dit niets zegt over het feit hoe vaak men al of niet energiek is of gejaagd-geïrriteerd. Er blijken drie soorten emoties te kunnen worden onderscheiden: ‘genieten van hard rijden’, ‘schuldgevoel (over benadelen van anderen) en spijt (over bewuste overtredingen)’, en ‘genieten van rijden en vrijheid’. Ook deze emoties komen onafhankelijk van elkaar voor. Vrachtautochauffeurs die vaker in een energieke stemming zijn hebben ook vaker spijt en schuldgevoel. Is men vaker in een goede kalm-ontspannen stemming dan geniet men meer van rijden en vrijheid. En is men vaker in een gejaagd-geïrriteerde stemming dan geniet men meer van snelheid en geniet men iets minder van rijden en vrijheid. Vrachtautochauffeurs zijn veelal in een goede, kalm-ontspannen stemming, en genieten van het rijden. Genieten van hard rijden komt bij een kwart voor, evenals gebrek aan schuld en spijt. Jongere chauffeurs zijn iets minder vaak in een energieke stemming en in een goede, kalm-ontspannen stemming; zij genieten iets meer van hard rijden, hebben minder spijt en schuldgevoel, en genieten iets minder van rijden en vrijheid. Het begrip ‘vermoeidheid’ wordt meestal niet opgevat als een emotie of stemming. Toch is dat een interessante opvatting. In deze studie is bij chauffeurs op twee manieren naar vermoeidheid gevraagd: er is gevraagd naar een ‘energieke’ stemming (tegenover een ‘moede stemming’), en er is gevraagd of men zijn auto wel eens aan de kant zet omdat men te moe is. De antwoorden op deze twee vragen blijken samen te hangen: chauffeurs met een minder ‘energieke’ stemming zetten ook iets vaker hun auto aan de kant omdat ze te moe zijn. Dit komt relatief vaker voor bij jongere chauffeurs. Opvallend is dat dit geen relatie heeft met duur van de werkweek. Mogelijke verklaringen zijn dat jongere chauffeurs buiten hun werk minder uitgerust raken. Het kan ook zijn dat de rijtaak voor hen te weinig uitdagend is waardoor verveling toeslaat. De snelheidsbegrenzer, de inhaalverboden en het colonne-rijden maken de taak monotoon. Monotone taken leiden tot verveling, en verveling doet de alertheid afnemen met gevolgen voor onveiligheid. Positieve gevolgen van emoties Chauffeurs die vaker in een energieke en in een goede, kalm-ontspannen stemming zijn, en chauffeurs die meer spijt en schuldgevoel hebben en meer genieten van rijden en vrijheid, maken minder overtredingen en krijgen minder bekeuringen. Is men energieker, dan gaat men ook minder over tot kleven, knipperen en toeteren als men wordt opgehouden. Is men vaker in een goede, kalm-ontspannen stemming, heeft men meer spijt en schuldgevoel en geniet men meer van rijden en vrijheid dan heeft men ook iets minder bijna-ongevallen. Is men energieker, heeft men meer spijt en schuldgevoel, en geniet men meer van rijden en vrijheid, dan gedraagt men zich in de zes onderzochte specifieke situaties ook veiliger. Negatieve gevolgen van emoties Chauffeurs die vaker in een gejaagd-geïrriteerde stemming zijn, en die meer genieten van hard rijden, maken meer overtredingen en krijgen meer bekeuringen. Is men vaker in een gejaagd-geïrriteerde stemming dan heeft men meer bijna-ongevallen. Geniet men meer van hard rijden dan heeft men iets meer ongevallen. Is men meer gejaagd-geïrriteerd, en geniet men meer van hard rijden dan gedraagt men zich in de zes onderzochte specifieke situaties ook onveiliger. Emotietheorie Het is op diverse manieren uit dit onderzoek gebleken dat de verschillende stappen in het emotieproces een logische samenhang vertonen, zoals ook uit de emotietheorie verwacht wordt. Deze stappen in het emotieproces zijn achtereenvolgens: constatering van schade of bevordering van belangen, vaststelling van een schuldige of een veroorzaker, gevoelens, actietendensen, en acties. Het is waarschijnlijk dat eerdere stappen in het emotieproces vaker of intensiever voorkomen dan latere, doordat er gaandeweg het proces regulering van emoties optreedt. De resultaten bevestigen dit. Ook blijkt het verband tussen eerdere en latere stappen in het emotieproces vaak verklaard te kunnen worden door tussenliggende stappen. Volgens de emotietheorie verlagen stemmingen de drempel voor de bijbehorende emoties. Inderdaad is gebleken dat een geïrriteerde stemming bijdraagt aan het ontstaan van boosheid. Aanbevelingen Het is gebleken dat stemmingen en emoties consequenties hebben voor veilig en onveilig gedrag. Het is zaak, waar mogelijk, invloed uit te oefenen om stemmingen en emoties met negatieve consequenties te voorkomen en te reguleren, zodat onveiligheid voorkomen wordt. De aanbevelingen uit dit onderzoek zijn er dan ook op gericht dat onveilige stemmingen en emoties worden vermeden, en veilige worden bevorderd. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in aanbevelingen voor de overheid, de transportbedrijven en de chauffeurs zelf.

Emotions and moods of lorry drivers and the relations with unsafe behaviour; Detailed elaboration of a questionnaire study Lorry drivers on the road experience pleasant as well as unpleasant aspects of their job. They usually find their job pleasant, but the special measures aimed at lorries are sometimes found unpleasant or even irritating. This questionnaire study of lorry drivers deals with whether these emotions have consequences of safe and unsafe behaviour. The study is divided into three parts. The first part studied if there are traffic situations involving the overtaking prohibition and the speed limiter for lorries. 85 lorry drivers were asked how frequently they encounter these situations and how ‘annoying’ they find them. The second part studied how (especially negative) emotions developed in six of these situations, and what the consequences were for behaviour and safety. This was done by confronting 206 lorry drivers with statements. The third part studied the more general aspect of the ‘emotional housekeeping’: which moods and emotions are generally present before and during driving, and how they relate to (un)safety. All lorry drivers were asked questions about age, experience, type of transport, distances covered; and also about offences, fines, near-accidents, and accidents. Traffic situations due to overtaking prohibitions and the speed limiter The first part of the study showed that, of the 32 traffic situations, a number can be blamed on both measures. Of these, the most irritating were: - not being allowed to overtake a slow-moving lorry; - not being able to maintain a steady speed; - having to drive in a column; - having another lorry driving very closely behind to urge the driver to increase speed (‘close-up driving”). These four situations were far more blamed on the overtaking prohibition than on the speed limiter. There were also irritating traffic situations that were blamed on one of the two measures. Conflict situations with drivers of so-called ‘luxury vehicles’ (cars) were found in general to be more annoying than those with other lorry drivers, although they were less frequent. This is an indication of a greater empathy among lorry drivers. It was, furthermore, striking that the overtaking prohibition was found to be more irritating than speed limiters, and that they it was the cause of more anger. Development of emotions in traffic situations Emotions occur if a vested interest (norm, wish, desire, attitude) is damaged or encouraged. What then develop are feelings (anger, pride, etc.), action readiness (tendencies to undertake action) and actions (open behaviour, thoughts, expressions). This ‘emotion process’ was studied among lorry drivers in the second part of this study. A vested interest that, among other things, is damaged is that one cannot comfortably drive in one’s own tempo. This can mean that one loses time. It can, however, also be that one has to drive slower or faster than one wants to. It is, furthermore, striking that one doesn’t wish to delay other road users. Adverse effects on safety occur regularly. Freedom, control, and time were mentioned less. The feelings of irritation and anger result from blaming somebody else (‘identifying a responsible agent’) and, simultaneously, feeling one’s vested interest damaged. These negative feelings result in actions that can be distinguished in three types: 1) ‘active in advance’ (driving too close, trying to overtake when forbidden, flashing one’s headlights and/or hooting), 2) ‘manifestations’ (moaning about colleagues, blaming others, cursing the measures, flashing or hooting, driving fast afterwards), and 3) ‘persevere-withdraw’ (during difficult overtaking: driving-on undisturbed accelerating, not falling back, driving fast afterwards). Young drivers agitate slightly more often than older drivers. It is clear that many of these actions are not safe, or can lead to unsafe actions by others. The relief is very strong when such traffic situations cease. Lorry drivers commit more offences and receive more fines when they experience more damage to their vested interest, have more negative feelings, and especially when they agitate more. In short, when they are more emotional in these situations. Moods, emotions, and unsafety In the third part of this study, the ‘emotional housekeeping’ (moods and emotions) of lorry drivers was looked at in a more general sense. There seem to be three types of moods that can be distinguished: an ‘energetic’ mood, a ‘good, calm-relaxed’ mood, and a ‘hurried-irritated’ mood. These moods are not interrelated. This means, for example, that if one is more often in a good, calm-relaxed mood, this says nothing about how often one is energetic or not, or hurried-irritated. There seem to be three types of emotions that can be distinguished: ‘enjoying fast driving’, ‘feeling guilty (about hindering others) and regret (about deliberate offences), and ‘enjoying driving and freedom’. The emotions also occur independent of each other. Lorry drivers who are more often in an energetic mood also regret and feel guilty more often. If one is more often in a good, calm-relaxed mood, one enjoys driving and freedom more often. If one is more often in a hurried-irritated mood, one enjoys the speed more and enjoys driving and freedom slightly less often. Lorry drivers are often in a good, calm-relaxed mood, and enjoy the driving. Enjoying fast driving was found in a quarter of lorry drivers, as was a lack of guilt feelings and regret. Young drivers are slightly less often in an energetic mood and a good, calm-relaxed mood; they enjoy fast driving slightly more often, have regret and guilt feelings less often, and enjoy driving and freedom slightly less often. The term ‘fatigue’ is not usually regarded as an emotion or mood. It is, however, an interesting view. This study questioned drivers about fatigue in two ways: they were asked about an ‘energetic’ mood (as opposed to a ‘tired’ mood), and about whether they sometimes stop their car because they are tired. The answers to these questions seem to be related: drivers with a less ‘energetic’ mood stop their cars slightly more often because they are tired. This is relatively more frequent among young drivers. It is striking that this has nothing to do with the length of the working week. Possible explanations are that young drivers, after their working hours, are less rested. It can also be that the driving task is not challenging enough for them, resulting in boredom. The speed limiter, overtaking prohibitions, and the column driving make the task monotonous. Monotonous tasks lead to boredom, and boredom reduces the alertness, with safety consequences. Positive results of emotions Drivers who are more often in an energetic and in a good, calm-relaxed mood, and drivers who more often regret and have guilt feelings and enjoy driving and freedom more, commit less offences and have less fines. If one is more energetic, then one drives too close, and flashes and hoots, when hindered, less often. If one is more often in a good, calm-relaxed mood, and if one has more often regret and guilt feelings and enjoys driving and freedom more, then one has less near-accidents. If one is more energetic, if one has more often regret and guilt feelings, and if one more often enjoys driving and freedom, then one also behaves safer in the six situations studied. Negative results of emotions Drivers who are more often in a hurried-irritated mood, and who enjoy fast driving more, commit more offences and have more fines. If one is more often in a hurried-irritated mood, one has more near-accidents. If one more often enjoys driving fast, the one has slightly more accidents. If one is more often in a hurried-irritated mood, and more often enjoys fast driving, then one also behaves unsafer in the six specific situations studied. Emotion theory It has appeared in this research that the different steps in the emotion process show a logical coherence, such as is to be expected from the emotion theory. These steps in the emotion process are successively: establishing damage or promotion of vested interests, the identification of a responsible agent, feelings, action readiness, and actions. It is probable that earlier steps in the emotion process occur more often or more intensively than later steps. This is because emotions are regulated during the process. The results confirm this. It also appears that the relation between earlier and later steps of the emotion process can often be explained by intermediate steps. According to the emotion theory, moods lower the barrier for the accompanying emotions. It has indeed appeared that an irritated mood contributes to anger origination. Recommendations It appears that moods and emotions have consequences for safe and unsafe behaviour. It is therefore important, where possible, to exercise influence on moods and emotions with negative consequences, by preventing and regulating them, in order to prevent unsafety. This study’s recommendations are, therefore, aimed at avoiding unsafe moods and emotions, and promoting safe ones. In this, a distinction is made in those recommendations for the government, the transport companies, and the drivers themselves.

Print this page