Factsheet

Verkeersdoden in Nederland

Samenvatting

Deze factsheet gaat over verkeersdoden: het jaarlijkse aantal in Nederland, de ontwikkeling daarin sinds 1950 en veelvoorkomende kenmerken zoals vervoerswijze, leeftijdsgroepen en ongevalslocaties. Het aantal verkeersdoden in Nederland vertoont, na een stijging in de jaren vijftig en zestig, een geleidelijke daling sinds 1973. De laatste jaren is deze daling gestagneerd. In 2018 vielen er 678 doden in het verkeer in Nederland; dit is het hoogste aantal sinds 2010. Ongeveer een derde van de verkeersdoden bestaat uit auto-inzittenden (233), en ongeveer een derde is fietser (228). Afgemeten naar de bevolkingsomvang, vallen er verhoudingsgewijs veel doden in het verkeer onder ouderen (70+). Kinderen (0-14 jaar) komen juist relatief weinig om in het verkeer; in 2018 waren dat er 19.

Bij vergelijking van aantallen verkeersdoden in verschillende groepen (zoals leeftijd, vervoerswijze, wegtype) moet worden bedacht dat het aantal verkeersslachtoffers in ieder geval afhangt van de mobiliteit: hoe meer men reist, hoe vaker men een ongeval kan hebben. Het aantal slachtoffers hangt ook af van de veiligheidskenmerken van die mobiliteit: er zijn veilige en minder veilige wegen en veilige en minder veilige voertuigen. Daarnaast beïnvloedt ook het rijgedrag de kans op een verkeersongeval. Het aantal verkeersdoden in een bepaalde groep wordt dus niet alleen bepaald door hoe ‘gevaarlijk’ die groep is (het risico van die leeftijdsgroep, sekse, vervoerswijze of wegtype), maar ook door de hoeveelheid mobiliteit van die groep (van dat vervoermiddel, op dat wegtype, enz.). Verschillen in aantallen verkeersdoden kunnen dus zowel komen door verschillen in mobiliteit als door verschillen in risico (zie voor dit laatste de gearchiveerde SWOV-factsheet Risico in het verkeer). En verschillen in ontwikkelingen in aantallen verkeersdoden kunnen ontstaan door verschillen in ontwikkeling van het risico en van de mobiliteit. Een verschil in mobiliteitsontwikkeling kan verschillende oorzaken hebben; een voorbeeld is een demografische ontwikkeling zoals vergrijzing. Ten slotte speelt het toeval ook altijd een rol. (Kleine) verschillen tussen aantallen doden in opeenvolgende jaren kunnen toevallig zijn.

Feiten

Hoeveel verkeersdoden vielen er in 2018 in Nederland?

In 2018 vielen er in Nederland 678 verkeersdoden. Dit is 65 meer dan het aantal verkeersdoden in 2017, toen het er 613 waren.

Wat is de officiële definitie van een verkeersdode?

Een verkeersdode is internationaal gedefinieerd als iemand die ten gevolge van een ongeval op de openbare weg, waarbij ten minste een rijdend voertuig is betrokken, binnen dertig dagen aan de gevolgen van dat ongeval overlijdt [1] .

Hoe wordt het aantal verkeersdoden in Nederland vastgesteld?

Tot 1996 werden alle verkeersdodenstatistieken in Nederland gebaseerd op de politieregistratie. Sinds 1996 wordt het aantal verkeersdoden vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), in nauw overleg met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Voor de vaststelling van het aantal verkeersdoden in Nederland analyseert het CBS de gegevens uit drie bronnen:

  1. gegevens van door een arts ingevulde doodsoorzaakformulieren;
  2. de dossiers van arrondissements­parketten over niet-natuurlijke doods­oorzaken;
  3. het (voorlopige) Bestand geRegistreerde Ongevallen in Nederland (BRON) dat gebaseerd is op de ongevalsrapporten die door de politie zijn opgemaakt. Dit bestand wordt door IenW gepubliceerd.

Door deze bronnen te koppelen en te vergelijken stelt CBS het overzicht van het aantal verkeers­doden samen. Dit is geïllustreerd in Afbeelding 1.

 

Afbeelding 1. Het aantal verkeersdoden wordt bepaald aan de hand van drie bronnen. Een verkeersdode kan in een of meer van die bronnen zijn vermeld.

 

Het CBS gaat ervan uit dat alle verkeersdoden in ten minste één van de drie bronnen is geregistreerd, en dat er derhalve geen verkeersdoden zijn die in geen van deze bronnen geregistreerd worden. Dit betekent voor Afbeelding 1 dat het witte gebied in de cirkel rond de drie gekleurde cirkels geen verkeers­doden bevat. Op basis van een analyse van de gegevens bepaalt het CBS het aantal verkeersdoden. Dubbeltellingen worden verwijderd, en het bestand wordt geschoond van slachtoffers die niet tot de verkeersdoden in Nederland moeten worden gerekend (zoals ongevallen in het buitenland, ongevallen buiten de openbare weg, zelfdodingen en natuurlijke doodsoorzaken).

Wat is het verschil tussen het geregistreerde en het werkelijke aantal verkeersdoden?

Het aantal geregistreerde verkeersdoden volgens BRON was tussen 2010 en 2017 ongeveer 15% lager dan het werkelijke aantal dat door het CBS is vastgesteld. BRON-gegevens voor 2018 zijn nog niet vrijgegeven. In 2017 was de registratiegraad van BRON 87%: 78 van de 613 verkeersdoden (volgens het CBS) ontbreken in de BRON-database. De redenen hiervan zijn onderwerp van nader onderzoek door SWOV. Bekend is dat BRON soms ongevallen mist als er bij het ongeval geen andere partijen betrokken waren, als er uitsluitend ongemotoriseerd verkeer betrokken was, als een slachtoffer pas later overlijdt of als er verwarring mogelijk is over het type ongeval (te-waterraking, ongevallen bij het spoor, onwelwording, zelfdoding, opzet).

Sinds 2012 mag het CBS niet aan IenW terugmelden welke doden in BRON het CBS niet tot de verkeersdoden rekent. Tot en met 2011 gebeurde dit wel. Hierdoor kan het sinds 2012 voorkomen dat een onbekend aantal BRON-verkeersdoden in werkelijkheid geen verkeersdode volgens het CBS is. Het gevolg hiervan is dat voor sommige groepen het aantal verkeersdoden volgens het CBS lager is dan het aantal dat IenW in BRON meldt.

Hoe heeft het aantal verkeersdoden in Nederland zich de laatste tien jaar ontwikkeld?

Afbeelding 2 toont de ontwikkeling van het (door het CBS vastgestelde) aantal verkeersdoden in de laatste tien jaar, naar vervoerswijze. Slachtoffers onder auto-inzittenden daalden tot enkele jaren terug nog tot 187 in 2014, maar hierna is het aantal doden onder auto-inzittenden weer gestegen tot 233 in 2018. Ook bij voetgangers zagen we tot 2013 een gestage daling, maar sindsdien fluctueert het aantal overleden voetgangers tussen de 50 en 60. In 2018 waren het er 54. Bij de andere vervoerswijzen is de algehele daling in verkeersdoden tot 2013 minder duidelijk terug te zien. Voor fietsers lijkt er al jaren geen sprake meer te zijn van een daling. Sinds 2006 was het aantal doden onder fietsers niet zo hoog als in 2018 (228). Er waren in 2017 voor het eerst meer verkeersdoden onder fietsers dan onder auto-inzittenden. In 2018 is het aantal doden onder auto-inzittenden weer iets hoger dan onder fietsers; het CBS geeft aan dat minstens 57 van de fietsers een elektrische fiets bereden. De verkeersdoden die vielen in de categorie ‘scootmobiel/invalidenvoertuig’ waren volgens het CBS sinds 2009 allemaal berijder van een scootmobiel.

Afbeelding 2. Verkeersdoden in Nederland in de laatste tien jaar, naar vervoerswijze. De categorie brom-snorfiets bevat ook brommobielen. Bron: CBS Statline.

 

Hoe is het aantal verkeersdoden verdeeld over vervoerswijzen, leeftijd en geslacht?

Afbeelding 3 toont welke vervoerswijze de verkeersdoden ten tijde van het ongeval in 2018 hadden. De meeste slachtoffers waren in 2018 auto-inzittenden (34%) en fietsers (34%). Gemotoriseerde tweewielers (in totaal 12%) vormen een derde grote groep, voor de helft zijn dit motorrijders, voor de helft berijders van een brom- of snorfiets (waaronder ook brommobiel, speed-pedelec of stint). In 2018 was 8% van de doden een voetganger, 7% een berijder van een scootmobiel en 4% een inzittende van een vracht- of bestelauto. Van 1% van de doden is de vervoerswijze onbekend.

Afbeelding 3. Verkeersdoden 2018 in Nederland naar vervoerswijze. * De categorie brom-/snorfiets bevat ook brommobielen, speed-pedelecs en stints. Bron: CBS Statline.

 

In Afbeelding 4 is de leeftijdsverdeling te zien van de verkeersdoden in 2018. De meeste verkeersdoden (21%) waren 80 jaar of ouder, gevolgd door de groep tussen de 70 en 80 jaar (19%). Ook verhoudingsgewijs, afgemeten naar de bevolkingsomvang, vallen er veel doden in het verkeer onder ouderen (70+; niet in figuur). Onder kinderen en jongeren tot 20 jaar vielen de minste doden (8%). In 2018 was bijna driekwart van de verkeersdoden een man, een kwart was een vrouw (Afbeelding 5).

Afbeelding 4. Verkeersdoden 2018 in Nederland naar leeftijd. Bron: CBS Statline.
 
Afbeelding 5. Verkeersdoden 2018 in Nederland naar geslacht. Bron: CBS Statline.
Hoe heeft het aantal verkeersdoden zich ontwikkeld voor verschillende vervoerswijzen, leeftijdsgroepen en geslacht?

In Afbeelding 6 vergelijken we het aantal verkeersdoden in 2018 met het aantal in 2009, naar vervoerswijze, leeftijd en geslacht. De figuur maakt duidelijk dat er de laatste jaren verschuivingen hebben plaatsgevonden: bijvoorbeeld van jonge mannelijke auto-inzittenden naar oudere mannelijke fietsers. Het aantal verkeersdoden onder mannelijke fietsers van 80 jaar en ouder fluctueert in de periode 2009-2018 tussen de 26 en 47 doden per jaar, maar ligt de laatste jaren vrij constant boven de 40 doden per jaar. Het aantal doden onder jonge mannelijke auto-inzittenden is sinds 2009 afgenomen, maar in de laatste jaren is dit aantal weer stijgende. Onder vrouwelijke auto-inzittenden kwamen in 2009 nog relatief veel jongeren om; inmiddels is dat accent verschoven naar de hogere leeftijdsgroepen.

Het aantal doden onder brom- en snorfietsers is in de laatste tien jaar afgenomen, terwijl het aantal doden onder berijders van scootmobielen is toegenomen. Inmiddels vallen er in beide groepen ongeveer evenveel verkeersdoden: ruim 40 per jaar.

In 2018 was ruim een kwart van de verkeersdoden vrouw. Meer dan een derde van hen (71 van de 193) overleed als fietser. Het totale aantal voetgangers dat overlijdt na een aanrijding met een voertuig is over het geheel genomen gedaald sinds 2009, maar de laatste jaren is deze daling niet meer te zien: het aantal doden varieert tussen de 50 en 60 per jaar.

Afbeelding 6. Verkeersdoden naar vervoerswijze en leeftijd, voor mannen en vrouwen, 2018 vergeleken met 2009. Alle cirkels hebben dezelfde schaal, waarbij het oppervlak evenredig is met het aantal. De categorie brom-/snorfiets bevat ook brommobielen, speed-pedelecs en stints. Bron: CBS, bewerking SWOV.
Hoe is het aantal verkeersdoden verdeeld over de verschillende soorten wegen ?

Als we willen weten hoeveel verkeersdoden er vallen op verschillende soorten wegen, zijn we aangewezen op de registratie door de politie die door Rijkswaterstaat in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wordt verwerkt tot het Bestand geRegistreerde Ongevallen in Nederland (BRON). BRON is onvolledig. Van de 613 doden in 2017 (momenteel het laatste bekende jaar in BRON) zijn er 535 in BRON geregistreerd, en 78 alleen in de verkeersdodenstatistiek van het CBS. Dat betekent dat we van 13% van de ongevallen in 2017 – het deel dat alleen door het CBS wordt geregistreerd – niet weten waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Daarnaast geldt ook voor 2% van de doden die wel in BRON te vinden zijn, dat we niet weten of het ongeval waar ze bij betrokken waren binnen of buiten de bebouwde kom heeft plaatsgevonden (zie Afbeelding 7) en van 1% van de gevallen weten we niet welke snelheidslimiet er gold op de weg waar het ongeval gebeurde (zie Afbeelding 8).

Van de verkeersdoden in de politieregistratie (BRON) is 58% buiten de bebouwde kom gevallen (50% van het totaal aantal doden). De overige 41% (35% van alle doden) viel in ongevallen binnen de bebouwde kom. Dit is afgebeeld in Afbeelding 7.

Afbeelding 8 toont de doden naar snelheidslimiet. Hier is te zien dat op 50 km/uur-wegen het grootste aandeel verkeersdoden valt (27% van het totale aantal doden; dit is 31% van de in BRON geregistreerde doden) en op 80km/uur-wegen het op één na grootste deel (22% van het totaal en 25% van de doden in BRON). Ook op 60km/uur-wegen valt een aanzienlijk deel, namelijk 14% van de verkeersdoden (16% van de doden in BRON). Op wegen met een snelheidslimiet van 120 of 130 km/uur) valt 7% van de doden. Op 30km/uur-wegen vinden we een vergelijkbaar aandeel (8%).

Van het werkelijke aantal dodelijke ongevallen in 2017 gebeurde 61% op wegvakken en 26% op kruispunten (zie Afbeelding 9; respectievelijk 70% en 30% van de door de politie geregistreerde aantallen in BRON).

Afbeelding 7. Verkeersdoden 2017 naar binnen en buiten de bebouwde kom. Bronnen: IenW (BRON), CBS, bewerking SWOV.

 

Afbeelding 8. Verkeersdoden 2017 naar snelheidslimiet. Bronnen: IenW (BRON), CBS, bewerking SWOV.

 

Afbeelding 9. Verkeersdoden  2017 naar wegvak en kruispunt. Bronnen: IenW (BRON), CBS, bewerking SWOV.

 

Afbeelding 10 toont de verkeersdoden 2017 in ongevallen naar wegbeheerder. Het grootste deel van de verkeersdoden in Nederland valt op gemeentelijke wegen (51% van het totaal, 59% van de geregistreerde aantallen in BRON), gevolgd door provinciale wegen (19% totaal en 22% in BRON) en wegen van het Rijk (13% totaal en 14% in BRON). De minste doden gebeuren op wegen van overige wegbeheerders zoals waterschappen (4% totaal, 5% in BRON). Dit reflecteert niet alleen de mate van gevaar op deze wegen, maar vooral ook de hoeveelheid wegen en verkeer over deze wegen.

Afbeelding 10. Verkeersdoden 2017 naar wegbeheerder. Bronnen: IenW (BRON) CBS, bewerking SWOV.
Hoe heeft het aantal verkeersdoden zich ontwikkeld voor verschillende soorten wegen?

Als we willen weten hoeveel verkeersdoden er vallen op verschillende soorten wegen, zijn we aangewezen op de registratie door de politie die door Rijkswaterstaat in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wordt verwerkt tot het Bestand geRegistreerde Ongevallen in Nederland (BRON). BRON is onvolledig. Van de 613 doden in 2017 (momenteel het laatste bekende jaar in BRON) zijn er 535 in BRON geregistreerd, en 78 alleen in de verkeersdodenstatistiek van het CBS. Dat betekent dat we van 13% van de ongevallen in 2017 – het deel dat alleen door het CBS wordt geregistreerd – niet weten waar het ongeval heeft plaatsgevonden. In 2008 was dit onbekend voor 10% van het aantal verkeersdoden. In Afbeelding 4 zijn de aantallen door de politie geregistreerde verkeersdoden weergegeven naar snelheidslimiet (voor zover deze is geregistreerd) en wegbeheerder, op kruispunten en wegvakken, voor het recentste jaar in vergelijking met tien jaar daarvoor, het jaar 2008.

Er vallen veel meer verkeersdoden op wegvakken dan op kruispunten, behalve op gemeentelijke 50km/uur-wegen. Er ontbreken in 2017 verhoudingsgewijs meer verkeersdoden in het BRON-bestand dan in 2008, waardoor de aantallen van beide jaren niet direct te vergelijken zijn. Relatief beschouwd, valt sinds 2008 een groter deel van de verkeersdoden bij wegvakongevallen (70%, tegenover 30% op kruispunten). Ten opzichte van het jaar 2016 (niet in de afbeelding) is er een stijging van 20 naar 27 geregistreerde verkeersdoden op 130km/uur-wegvakken.

Afbeelding 11. Door de politie geregistreerde verkeersdoden (BRON) naar snelheidslimiet en wegbeheerder, voor 2008 en 2017 op kruispunten en wegvakken. Alle cirkels hebben dezelfde schaal, waarbij het oppervlak evenredig is met het aantal. Bronnen: IenW,  bewerking SWOV.
Wat is het risico per vervoerswijze om te overlijden in het verkeer?

Het risico om te overlijden in het verkeer (aantal verkeersdoden per afgelegde km) is het hoogst voor gemotoriseerde tweewielers: brom- en snorfietsers en motorrijders (Afbeelding 12). In deze afbeelding zijn vier- en vijfjaargemiddelden weergegeven, omdat op jaarbasis berekende risico’s door onzekerheden in mobiliteitsgegevens en ongevalsaantallen meer van het toeval afhangen. Tevens is te zien dat het overlijdensrisico voor alle vervoerswijzen vanaf het begin van deze eeuw is afgenomen. Alleen het overlijdensrisico van fietsers lijkt de laatste tien jaar niet meer te dalen.

Afbeelding 12. Het overlijdensrisico (slachtoffers per afgelegde afstand) in Nederland voor verschillende vervoerswijzen, gemiddeld over periodes van 4 of 5 jaar. Bronnen: CBS , IenW, bewerking SWOV.
Hoe heeft het aantal verkeersdoden in Nederland zich sinds 1950 ontwikkeld?

In 1950 waren er circa 1000 verkeersdoden. Dat aantal steeg gestaag tot ruim 3000 in 1972. Vanaf 1973 daalt het jaarlijks aantal verkeersdoden geleidelijk. Afbeelding 13 en Afbeelding 14 tonen het door de politie geregistreerde aantal verkeersdoden tussen 1950 en 1995 en het door het CBS bepaalde aantal verkeers­doden vanaf 1996. In Afbeelding 13 zijn de verkeersdoden ingedeeld naar de vervoerswijze van het slachtoffer, en in Afbeelding 14 zien we het aantal verkeersdoden per leeftijdsgroep.  

Afbeelding 13. Verkeersdoden (politieregistratie tot 1995; door het CBS bepaald vanaf 1996) in Nederland sinds 1950, naar vervoerswijze. De categorie brom-/snorfiets bevat hier ook brommobielen, scootmobielen en invalidenvoertuigen. Bronnen: CBS, IenW.

 

Afbeelding 14. Verkeersdoden (politieregistratie tot 1995; door het CBS bepaald vanaf 1996) in Nederland sinds 1950, naar leeftijd van het slachtoffer. Bronnen: CBS, IenW.

 

In 1950 waren er vooral veel verkeersdoden onder fietsers en voetgangers. Daarna zette een sterke stijging van het aantal verkeersdoden onder bromfietsers en vooral auto-inzittenden in, en werden deze vervoerswijzen steeds belangrijker voor het totale patroon. Sinds 1973 daalde het aantal verkeers­doden voor vrijwel alle vervoerswijzen. Alleen de ontwikkeling voor motorfietsen en vracht- en bestelverkeer wijken enigszins van dit patroon af; de laatste jaren nam ook het aantal verkeersdoden onder fietsers nog maar weinig af.

Kinderen (0-14) zijn er nog maar nauwelijks onder de verkeersdoden: in 2018 vielen in deze groep 19 doden. Jongeren en vooral kinderen vormden tussen 1950 en 1980 juist een groot aandeel van de verkeersdoden. Tegenwoordig zijn het juist steeds meer ouderen die in het verkeer overlijden.

Wat zijn de maatschappelijke kosten van verkeersdoden?

Ongeveer 13% van de totale kosten van verkeersongevallen is toe te rekenen aan verkeersdoden (zie Afbeelding 15). Bijna de helft van de totale kosten van verkeersongevallen (ongeveer 45%) is toe te rekenen aan ernstig verkeersgewonden; lichtgewonden (behandeld op een spoedeisendehulpafdeling van een ziekenhuis) en overige gewonden hebben beide een aandeel van circa 7% in de kosten. Hiernaast is 28% van de kosten toe te rekenen aan ongevallen met uitsluitend materiële schade (UMS).

Het totaal aan maatschappelijke kosten van verkeersongevallen werd voor 2015 geschat op 14 miljard euro (€13,0 tot €15,4 miljard [2]). Dit is ongeveer 2% van het bruto binnenlands product. De kosten per verkeersdode bedragen circa €2,9 miljoen en per ernstig verkeersgewonde circa €310.000. Zie voor meer informatie de SWOV-factsheet Kosten van verkeersongevallen.

Afbeelding 15. Aandeel van doden, ernstig/licht/overige gewonden en ongevallen met uitsluitend materiële schade (UMS) in de totale kosten van verkeersongevallen (2015). Bron: KiM.
Hoe verhoudt het aantal verkeersdoden in Nederland zich tot dat in andere landen?

Vergeleken met de officiële aantallen verkeersdoden die andere Europese landen rapporteren, stond Nederland met het werkelijk aantal verkeersdoden in 2017 op de 7e plaats in Europa [3]. Daarbij is gecorrigeerd voor de grootte van elk land door niet het aantal slachtoffers, maar de verkeersmortaliteit (verkeersdoden per inwoner) onderling te vergelijken. Als het gaat om de verbetering in verkeersveiligheid gemeten als de daling in het aantal verkeersdoden per land in 2017 ten opzichte van 2010, dan staat Nederland op de 31e plaats (van de 32) met een daling van 4,2%.

De EU verzamelt in haar database CARE de geregistreerde aantallen verkeersdoden van de 28 EU-lidstaten, en daarnaast nog van enkele andere landen zoals Noorwegen en Zwitserland. In CARE wordt geen correctie toegepast voor de onderregistratie van verkeersdoden in BRON. Uitgaande van de verkeersmortaliteit op basis van CARE, staat Nederland in 2017 op de vierde plaats binnen de EU [4]. Deze vergelijking levert een vertekend beeld, omdat daarin de circa 15% verkeersdoden niet zijn meegerekend die in BRON ontbraken, maar wel door het CBS zijn vastgesteld. De ETSC heeft in 2018 onderzocht of ook andere landen meer dan één bron gebruiken bij het vaststellen van het aantal verkeersdoden [5]. Ongeveer de helft (17 van de 32) bevraagde landen betrekken daarbij ziekenhuisgegevens, doodsoorzakenverklaringen of gegevens over niet-natuurlijk overlijden. De compleetheid van de politieregistratie in de verschillende landen is op dit moment niet bekend.

Publicaties en bronnen

Hieronder vindt u de lijst met referenties die in deze factsheet zijn gebruikt. Op ons kennisportaal vindt u meer literatuur over dit onderwerp.

[1]. Eurostat, ITF & UNECE (2009). Illustrated glossary for transport statistics. International Transport Forum ITF Eurostat & United Nations Economic Commission for Europe UNECE.

[2]. KiM (2016). Mobiliteitsbeeld 2016. Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid, Den Haag.

[3]. Adminaite, D., Calinescu, T., Jost, G., Stipdonk, H. & Ward, H. (2018). Ranking EU progress on road safety; 12th Road Safety Performance Index Report. European Transport Safety Council ETSC, Brussels.

 [4]. European Commission (2018). Road safety 2017. How is your country doing. European Commission, Mobility and transport.

[5]. Adminaite, D., Jost, G., Stipdonk, H.L. & Ward, H. (2018). An overview of road death data collection in the EU. PIN Flash Report 35. European Transport Safety Council ETSC, Brussels.

Print this page

Geactualiseerd

18 apr 2019