Fact

Weer - Op welke manieren beïnvloedt het weer de verkeersveiligheid?

Weersomstandigheden hebben invloed op zowel het ongevalsrisico als op de blootstelling aan dat risico (de expositie). Deze invloed komt vooral tot uiting bij neerslag (inclusief sneeuw en hagel), mist, laagstaande zon, wind, ijsvorming en temperatuur (hitte).

Neerslag

Uit onderzoek blijkt dat automobilisten hun weggedrag tijdens regenbuien aanpassen. Er wordt minder ingehaald, en men gaat langzamer en minder dicht op elkaar rijden (Hogema, 1996; Agarwal et al., 2005). Het risico op een ongeval ligt bij regen echter toch hoger dan bij droog weer. De veranderingen in het rijgedrag zijn kennelijk ontoereikend om het verhoogde risico tijdens slecht weer te compenseren (Thoma, 1993).

Tijdens neerslag kunnen verkeersdeelnemers last hebben van beperkt zicht. Bij hevige regen- en sneeuw­val kan het zicht teruglopen tot ongeveer 50 meter. Ook sproei- en spatwater van met name het vrachtverkeer kan het zicht van gemotoriseerde weggebruikers sterk verminderen (Terpstra, 1995). Beslagen ruiten en schermen, veroorzaakt door de hoge luchtvochtigheid tijdens regen, hinderen het zicht ook (Fokkema, 1987). Daarnaast kan 's nachts verblinding optreden doordat het licht uit de koplampen van tegenliggers door water op het wegdek wordt weerkaatst (Ellinghaus, 1983).

Naarmate er meer regen, sneeuw of hagel valt, zal de frictie van het wegdek afnemen. Bij regen kan dit tot 'dynamische aquaplaning' leiden. Daarbij verliest het voertuig het contact met de weg door een laag water op het wegdek, en kan het gaan slippen. De kans op aquaplaning is afhankelijk van de stroefheid van de weg, maar daarnaast uiteraard ook van de profieldiepte van de banden en de snelheid van het voertuig (Ellinghaus, 1983; Terpstra, 1995). Wanneer het lange tijd droog is geweest, kan bij zachte regen 'viskeuze aquaplaning' ontstaan als olieresten en stofdeeltjes samen met water voor een dunne vloeibare film op het wegdek zorgen. Wanneer het harder gaat regenen, neemt de kans op viskeuze aquaplaning weer af, doordat het wegdek wordt schoongespoeld (Terpstra, 1995; Eisenberg, 2004).

Mist

Bij mist zijn de waterdruppels zo klein en licht, dat ze blijven zweven. Dit leidt tot vermindering van het zichtveld doordat het licht door de mistdruppels verstrooid wordt. Over het algemeen ontstaat mist wanneer de relatieve luchtvochtigheid 100% is. Bij mist gaan mensen over het algemeen wat langzamer rijden, maar tegelijkertijd gaan zij dichter op hun voorligger rijden (Debus et al., 2005). In combinatie met het verminderde zichtveld vergroot dit de kans op ongevallen (Fokkema, 1987; Oppe, 1988). Ook mist kan leiden tot viskeuze aquaplaning wanneer de waterdruppels voor een dunne film op het wegdek zorgen (Terpstra, 1995).

Laagstaande zon

De op- en ondergaande zon kan het zicht van verkeersdeelnemers op het overige verkeer sterk verminderen. De zon verblindt het meest als hij laag aan de horizon staat. Dit is tot een uur na zonsopgang en vanaf een uur voor zonsondergang het geval. Automobilisten kunnen dan nog wel door de voorruit kijken, maar niet duidelijk meer zien. Ook indirect zonlicht dat wordt weerkaatst door bijvoorbeeld een glazen gebouw, geluidschermen of andere auto's, kan voor problemen zorgen. Beschenen door het zonlicht zal vuil op de ruit duidelijker zichtbaar worden en daardoor het zicht hinderen. Het zicht wordt nog eens extra aangetast wanneer het wegdek nat is, en het water op de weg het zonlicht weerkaatst (Fokkema, 1987).

Wind

Door windstoten kunnen relatief hoge voertuigen, zoals bussen, bestelauto's, campers, caravans en vrachtauto's, uit koers raken en in extreme gevallen zelfs kantelen. Met name op bruggen en viaducten kan dit gebeuren. Ook kunnen rondwaaiende voorwerpen, omgewaaide bomen en afgebroken takken tot verkeershinder leiden (Ellinghaus, 1983). Langzaam verkeer en motorfietsers kunnen hinder ondervinden van harde windstoten en daardoor ook hinder opleveren voor het overige verkeer.

IJsvorming

Bij wegdek met een open structuur, zoals ZOAB (Zeer Open Asfalt Beton) zullen natte weggedeelten eerder bevriezen dan bij wegdek met een dichte structuur. Bij ijzel vormt zich zo snel een laagje ijs op het ZOAB-wegdek, waardoor het zijn frictie verliest (CROW, 2000). Ook pas aangelegde wegen hebben meer kans op gladheid door de zwarte bitumenlaag, die een lagere tempratuur heeft en dus gevoelig is voor het bevriezen van natte weggedeelten. Na verloop van tijd zal door slijtage van de bovenlaag die gladheid verminderen (CROW, 2006).

Hitte

Een hoge temperatuur heeft vooral een psychologische en/of fysiologische effect op de bestuurder. Er is hier vanuit de literatuur echter veel minder over bekend dan over de fysieke effecten van weers­omstandigheden. Volgens een Duitse studie nemen bij grote hitte de emoties toe, en reageren mensen prikkelbaarder op elkaar. Daarnaast treedt volgens dezelfde studie bij hoge temperaturen bij bestuurders vermoeidheid en concentratieverlies op en neemt de reactiesnelheid af (DVR, 2000). Franse onderzoekers vonden een verhoging van het aantal ongevallen tijdens hittegolven. Als mogelijke verklaring hiervan wordt genoemd dat bestuurders op andere tijden van de dag de weg opgaan en dat ze 's nachts slechter of korter slapen door de hoge nachttemperaturen, waardoor ze vermoeider aan het verkeer deelnemen (Laaidi & Laaidi, 2002).

Afbeeldingen