Fact

Snelheid - Welke maatregelen voor snelheidsmanagement zijn er?

Snelheidsmanagement bestaat uit een combinatie van een aantal maatregelen in een logische volgorde (Wegman & Aarts, 2005; Van Schagen & Feypell, 2011):

 

Stap 1: Bepaal welke snelheidslimiet veilig is

Welke snelheid veilig is hangt af van de functie van de weg en – daarmee samenhangend – van de samenstelling van het verkeer. Als gemotoriseerd verkeer moet mengen met voetgangers en (brom)fietsers, moet de snelheid laag zijn (zie Tabel 2). Ook de mogelijkheid van bepaalde conflicten, zoals een dwarsconflict of een frontaal conflict, is van invloed op de veilige snelheid.

 

Stap 2: Zorg dat die limiet geloofwaardig is

Geloofwaardig wil zeggen dat de limiet aansluit bij de verwachtingen die het wegbeeld oproept, zodat automobilisten meer geneigd zijn zich aan de limiet te houden (Van Schagen, Wegman & Roszbach, 2004; gearchiveerde SWOV-factsheet Naar geloofwaardige snelheidslimieten). Kenmerken die uitnodigen om sneller te gaan rijden zijn bijvoorbeeld wegen met lange recht­standen, brede wegen, wegen met een effen wegdek en een open, overzichtelijke wegomgeving (Aarts et al., 2009). Uitleg over de reden dat een limiet niet past bij het wegbeeld kan ook helpen de geloofwaardigheid te vergroten (bijvoorbeeld ‘geluidsoverlast’, ‘schoolgebied’).

 

Stap 3: Geef goede informatie over de limiet ter plaatse

In de praktijk blijkt lang niet altijd duidelijk welke limiet ergens geldt. Informatie over de ter plaatse geldende limiet wordt meestal gegeven door bebording. Algemene limieten worden echter niet met borden aangegeven: die behoort de weggebruiker te kennen. De geldende snelheidslimiet wordt soms ook op hectometerpaaltjes getoond. In toenemende mate is de limiet ook in het voertuig te zien, veelal gekoppeld aan een navigatiesysteem.

 

Stap 4: Ondersteun de limiet met snelheidsremmers

Waar nodig (bijv. bij scholen, voetganger- en fietsoversteek­plaatsen, gelijkvloerse kruispunten) helpen fysieke snelheids­remmers automobilisten een lagere snelheid te kiezen: drempels, wegversmallingen, plateaus of rotondes. Daarbij is het belangrijk dat de locatie van de snelheidsremmers logisch is en dat de maatvoering in overeenstemming is met het geldende snelheidsregime, de ter plaatse gewenste snelheid en de verkeerssamenstelling (zie bijv. CROW, 2014).

 

Stap 5: Politietoezicht

Met bovengenoemde maatregelen mogen we ervan uitgaan dat veel van de snelheidsovertredingen worden voorkomen. Maar omdat automobilisten uiteindelijk zelf hun snelheid kunnen bepalen, zullen er altijd overtredingen plaatsvinden. Daarom blijft gericht politietoezicht, gericht op zowel algemene afschrikking als preventie, voorlopig nog nodig. Zie ook de SWOV-factsheets Politietoezicht in het verkeer en De werking en effecten van snelheidscamera’s (gearchiveerd).

 

Stap 6: Educatie en voorlichting

Educatie en voorlichting bieden ondersteuning bij elk van de bovenstaande maatregelen. Ze kunnen worden ingezet om snelheidsmaatregelen, zoals politietoezicht en drempels, toe te lichten en om mensen te wijzen op de risico’s van (te) snel rijden. Ze richten zich vooral op bewustwording van het probleem en acceptatie van maatregelen. Het blijkt erg moeilijk om via educatie en voorlichting het snelheidsgedrag direct te beïnvloeden (Van Schagen et al., 2016). 

 

Afbeeldingen

Factsheet

Deze fact hoort bij:

Geactualiseerd

21 nov 2016

Thema's

Deze factsheet gebruiken?