Publication

Veilig, wat heet veilig?

SWOV-visie op een nóg veiliger wegverkeer

Author(s)

Wegman, Ir. F.C.M.

Year

2001

Verkeersonveiligheid in perspectief Jaarlijks vallen er in ons land bijna 1100 doden in het verkeer en moeten er bijna 20.000 verkeersdeelnemers in een ziekenhuis worden opgenomen. De maatschappelijke schade van verkeersonveiligheid is bijna 18 miljard gulden (prijspeil 2000). De schade aan het milieu als gevolg van het wegverkeer wordt geschat op 13 miljard gulden en congestie op het hoofdwegennet kost jaarlijks 1,8 miljard gulden. Internationaal gezien behoort Nederland tot de veiligste landen, maar Europese landen die nog beter scoren dan Nederland, zoals Engeland en Zweden, hebben de afgelopen 10 jaar meer vooruitgang laten zien. De SWOV is van mening dat het jaarlijkse aantal verkeersdoden circa 700 lager zou kunnen zijn. Hiervoor zijn voorstellen ontwikkeld als aanvulling op het Nationale Verkeers- en Vervoersplan (NVVP) van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Taakstellingen bevorderen beleidseffectiviteit Eind jaren tachtig zijn er kwantitatieve taakstellingen geformuleerd voor 2000 (Meerjarenplan Verkeersveiligheid) en voor 2010 (Structuurschema Verkeer en Vervoer). De taakstelling voor het maximale aantal verkeersdoden in 2000 is gehaald, te weten -25% ten opzichte van het basisjaar 1985. Eenzelfde reductie van het aantal (ziekenhuis-)gewonden is niet gehaald. De SVV-taakstellingen voor 2010 zijn min of meer overgenomen in het NVVP, maar het basisjaar is veranderd in 1998. De taakstelling voor het aantal doden, een daling met 30% in 12 jaar, vereist eenzelfde dalingstempo als in de 12 jaar ervoor. Het tempo van vermindering van het aantal ziekenhuisgewonden zal omhoog moeten: van 15% in de periode 1986-1998 naar 25% in de periode 1998-2010. Uit internationaal onderzoek blijkt dat taakstellend beleid effectiever is dan beleid zonder meetbare doelen. Het is dus belangrijk dat niet alleen de landelijke taakstellingen in het NVVP gehandhaafd zijn maar dat er, gegeven de decentralisatie van de uitvoering van het beleid, ook afspraken worden gemaakt over commitment van provincies en kaderwetgebieden aan taakstellingen. Het Nationaal Verkeers- en Vervoersplan: goede aanzetten Het NVVP bevat behalve de taakstelling ten aanzien van het aantal doden en gewonden meer goede onderdelen, te weten: - de zakelijke aanpak (het beoordelen van maatregelen op effecten en kosteneffectiviteit); - de voorgestelde integrale afweging tussen bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid; - het handhaven van ‘Duurzaam Veilig' als leidende visie; - het hanteren van deze visie als uitgangspunt bij aanleg en groot onderhoud van infrastructuur. De SWOV heeft schattingen gemaakt die aangeven dat met de voorziene maatregelen de taakstellingen voor 2010 haalbaar zijn. Dat vereist wel dat de bij de ICES (Interdepartementale Commissie Economische Structuurversterking) ingediende claim op het FES (Fonds Economische Structuurversterking) beschikbaar komt. Er is meer mogelijk volgens de SWOV In feite is iedere verkeersdode er een teveel; wanneer kunnen we zeggen dat onze ambitie ten aanzien van het maximale aantal verkeersdoden genoeg is? De SWOV stelt voor hierbij het criterium van ‘vermijdbare ongevallen' te hanteren. Vermijdbaar wil zeggen dat we weten wat we moeten doen om de ongevallen te voorkomen en dat het ook maatschappelijk rendabel is om dit te doen. Met andere woorden: de baten overtreffen de kosten. De SWOV zou graag zien dat een aantal uitvoerbare en beloftevolle maatregelen in elk geval op de agenda komen van het politieke en beleidsdebat. Uiteraard in de hoop dat de inhoudelijke conclusies van deze Nota onderschreven worden en de voorgestelde maatregelen zo snel mogelijk tot uitvoering komen. Bij vermijdbare ongevallen zou de vraag niet moeten zijn óf we tot uitvoering overgaan maar wanneer. De voorstellen van de SWOV zijn nadrukkelijk bedoeld als aanvulling op de voornemens uit het NVVP en passen alle binnen de visie van Duurzaam Veilig. De onderstaande tabel laat zien tot welke resultaten de maatregelen zullen leiden. MaatregelExtra vermindering verkeersdodenExtra vermindering verkeersdoden in percentage van bereikinaantallen Hoger tempo realisering duurzaam-veilig19%330 wegennet en kwalitatief betere uitvoering Inzetten op snelheidsbeheersing21%225 Toepassen van ITS en7%25 verbeteringen aan voertuigen Extra aandacht voor categorieën50%75 verkeersdeelnemers met hoge risico's Totaal van alle maatregelen 35%350 na correctie voor overlap Er is een correctie op de cijfers toegepast omdat ze deels op dezelfde categorieën verkeersdeelnemers werken. Bijvoorbeeld: als jonge automobilisten niet meer ‘s nachts mogen rijden, leidt dat ertoe dat er minder bermongevallen gebeuren; door de effecten van de beperkingen voor beginnende bestuurders en bermbeveiliging zonder meer bij elkaar te tellen, zou er dus van dubbeltelling sprake zijn. De SWOV heeft door de wijze van corrigeren van de schatting elke mogelijke dubbeltelling uitgesloten. Visie op Duurzaam Veilig Alle maatregelen die de SWOV voorstelt, passen in de visie van een duurzaam-veilig wegverkeer en beogen gedragsverandering. Duurzaam Veilig gaat uit van het principe dat de mens de maat der dingen is: menselijke fouten moeten zo veel mogelijk voorkomen worden en waar ze toch nog een kans krijgen, moeten de gevolgen zo klein mogelijk zijn. Verkeersdeelnemers maken verhoudingsgewijs bijzonder weinig fouten: gemiddeld raken ze eens per 30 miljoen handelingen bij een ernstig ongeval betrokken.Dat lijkt nauwelijks te verbeteren, behalve voor specifieke groepen zoals onervaren bestuurders en bestuurders onder invloed. Daarom is Duurzaam Veilig gericht op vereenvoudiging van de rijtaak. Dat wordt bereikt door een goede combinatie van infrastructurele maatregelen, voertuigbeleid, opleiding, toezicht en voorlichting; ITS-maatregelen (Intelligent Transport Systems) kunnen voor de toekomst aan dit rijtje worden toegevoegd. Het hele wegennet moet in de komende decennia consequent zo worden ingericht dat iedere weg één duidelijke functie heeft en bovendien een vormgeving die daarbij past en de weggebruiker duidelijk maakt welk gedrag van hem of haar verwacht wordt. In ‘duurzaam veilig' worden drie functies onderscheiden: toegang bieden tot bestemmingen (erftoegangsweg), verbinding bieden tussen erftoegangswegen en stroomwegen (ontsluitingsweg) en een snelle afwikkeling van verkeer mogelijk maken (stroomweg). Waar menging van verkeerssoorten nodig is, zijn lage snelheden geboden; waar snelheden boven de 30 km/u wenselijk zijn, zijn homogeniteit van verkeersstromen en voorspelbaarheid van verkeerssituaties essentieel. Voorspelbaarheid kan alleen bereikt worden met een behoorlijke mate van uniformiteit over het hele land. Voorlichting heeft in dit geheel ook een belangrijke rol, te weten om kennis over te dragen, om weggebruikers van problemen bewust te maken of het waarom van maatregelen uit te leggen. Maar het is een illusie te verwachten dat voorlichting als los instrument tot gedragsverandering leidt. Voorstellen voor maatregelen Verkrijgen van groter maatschappelijk draagvlak voor de uitvoering van een duurzaam-veilig beleid De SWOV meent dat, veel beter dan nu gebeurt, aan het publiek moet worden uitgelegd wat het verkeersveiligheidsbeleid inhoudt en wat het oplevert. Er lijken een zekere onverschilligheid en gelatenheid tegenover het grote aantal verkeersdoden en -gewonden te bestaan; dit verdient het omgebogen te worden in steun voor maatregelen om verkeersslachtoffers te voorkomen. Het is immers mogelijk om de kans op (ernstige) ongevallen belangrijk te verkleinen. Kernpunten: -Duurzaam Veilig verdient het uit de anonimiteit te worden gehaald. -Duurzaam Veilig moet gepositioneerd worden als iets positiefs, iets waar we als gemeenschap beter van worden. -Om deze suggestie ook daadwerkelijk tot uitvoering te brengen, beveelt de SWOV de oprichting aan van een Nationaal Comité Duurzaam Veilig, dat regionale en lokale initiatieven, bedoeld om het draagvlak voor verkeersveiligheid te vergroten, met geld en kennis kan ondersteunen. Voltooiing van een duurzaam-veilig wegennet en een kwalitatief betere uitvoering De overheid heeft zich voorgenomen eenderde van het wegennet in de komende 10 jaar aan de eisen van ‘duurzaam veilig' te laten voldoen. De SWOV vindt dat de volledige realisering van ‘duurzaam veilig' hierdoor te lang duurt en beveelt aan te onderzoeken of het tempo omhoog kan; het maatschappelijke rendement van investeren in ‘duurzaam veilig' is immers voldoende aangetoond. Kernpunten: -We dienen na te gaan waar bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid gemeenschappelijke belangen of tegenstrijdigheden bevatten. -De SWOV acht het voornemen om alleen nieuwe infrastructuur aan te leggen of groot onderhoud te plegen die de toets van ‘duurzaam veilig' kunnen doorstaan, essentieel om het uiteindelijke doel te bereiken. -De aandacht moet bij duurzaam-veilige infrastructuur verschuiven van de erftoegangswegen in het huidige beleid naar hogere-ordewegen (ook autosnelwegen); beperkingen op lagere-ordewegen zijn voor weggebruikers beter te aanvaarden als er eerst of tegelijk voor goede voorzieningen op hogere-ordewegen is gezorgd. -Als ‘duurzaam veilig' niet als samenhangend pakket wordt ingevoerd, zou het resultaat wel eens kunnen tegenvallen; ook dit pleit voor versnelling van de invoering en een integrale aanpak. -Ook op autosnelwegen zijn maatregelen mogelijk ter verbetering van de verkeersveiligheid, zoals homogeniseren van verkeersstromen, scheiding van zwaar en overig verkeer en snelheidsbeheersing. -Ook voor railverkeer (light-rail, tram en trein) en zeker voor de aanleg van nieuwe railverbindingen zouden de eisen van ‘duurzaam veilig' van toepassing moeten worden verklaard. Dat betekent een eigen baan en ongelijkvloerse kruisingen met het wegverkeer, zoals bij metro's het geval is. Waar dat niet kan, dient de snelheid zodanig laag te zijn dat een voetganger bij een ongeval geen ernstig letsel oploopt. Extra inzetten op snelheidsbeheersing Over 10 jaar zouden er geen snelheidsovertredingen meer moeten zijn. Daarbij tekent de SWOV wel aan dat de huidige limieten nog eens tegen het licht gehouden moeten worden. Er wordt massaal te hard gereden; de veronderstelling dringt zich op dat weggebruikers in veel gevallen niet begrijpen waarom een bepaalde limiet geldt. Kernpunten: -Bij het categoriseren en feitelijk aanpassen van het wegennet dienen snelheidslimieten gekozen te worden die passen bij functie, vormgeving en gebruik van de wegen. Nu is er niet overal een logische koppeling tussen het wegbeeld en de geldende limiet. -Verder stelt de SWOV voor af te stappen van een stelsel van vrijwel uitsluitend ‘starre' limieten. Limieten die zijn aangepast zijn aan de verkeers- en weersomstandigheden zijn ongetwijfeld geloofwaardiger en zullen dus ook beter opgevolgd worden. - Waar de infrastructuur de gewenste snelheid niet afdwingt, zijn andere maatregelen nodig. Op korte termijn is handhaving door de politie hiervoor geboden. -Maar tegelijkertijd moeten technologische oplossingen onderzocht worden, zoals bijvoorbeeld het projecteren van de op dat moment geldende snelheidslimiet in de voorruit van een auto (head-up display). Dit zou een eerste stap zijn op het pad van de ISA (intelligente snelheidsadaptatie). Verbeteringen aan voertuigen en toepassing van ITS Aan verbeterde veiligheid van voertuigen is veel te danken en er staan maatregelen in het NVVP voor verdere verbetering van de voertuigveiligheid. Er is echter nog meer mogelijk, vooral voor degenen die worden aangereden door auto's en vrachtauto's. Kernpunten: -Autofront verbeteren ten behoeve van fietsers en voetgangers; -Front- en achterbescherming van vrachtauto's verplicht stellen; -Het ontwikkelen van een visie op gewenste voertuigcategorieën, mede in het licht van een duurzaam-veilig wegennet, voertuigeisen, gedragsregels en kwalificatiecriteria; -Black-boxes en navigatiesystemen in het hele zakelijke voertuigpark (dus niet alleen black-boxes in vracht- en bestelauto's, zoals het NVVP voorstelt); -Onderzoek naar de optimale combinatie van technologische ontwikkelingen en de wijze waarop de mens hiermee omgaat of zou moeten omgaan. Extra aandacht voor categorieën verkeersdeelnemers met hoge risico's (beginnende bestuurders, gemotoriseerde tweewielers) Jonge brom-/snorfietsers en jonge automobilisten hebben een sterk verhoogde kans op een ongeval; dit vraagt om een ingrijpende aanpak. Bij brom- en snorfietsers is het probleem dat we de carrière als gemotoriseerde verkeersdeelnemer laten beginnen op een vervoermiddel met een hoog risico. Hoewel een praktijkexamen voor brom- en snorfietsers, een maatregel die is opgenomen in het NVVP, ongetwijfeld een positieve bijdrage zal leveren, is te verwachten dat deze bijdrage bescheiden zal zijn en dat er dus meer mogelijk zal zijn. Ook bij beginnende automobilisten is nog veel te bereiken. Bij hen is het punt dat de rijtaak voor beginners ingewikkeld is en dat er veel voor te zeggen is ze niet onder risicovolle omstandigheden aan het verkeer te laten deelnemen. Het NVVP bevat plannen voor een gefaseerd rijbewijs en een verlaging van de alcohollimiet voor beginnende bestuurders, wat past in deze redenering. De SWOV stelt voor verder te gaan. Kernpunten: -Noemenswaardige verkeersveiligheidswinst is te behalen door de huidige snorfiets te verbieden en alleen nog de fiets met hulpmotor toe te staan. -De leeftijd waarop een bromfiets bereden mag worden stelt de SWOV voor op te trekken naar 18 jaar; dit zou overigens ook tot een enorme daling van het aantal ziekenhuisgewonden leiden. -Wat betreft beginnende automobilisten: jongeren zouden niet 's nachts moeten rijden en geen passagiers bij zich moeten hebben. In een aantal andere landen (o.a. Verenigde Staten en Canada) zijn dergelijke beperkingen ingevoerd en effectief gebleken. Organisatie en sturing Het NVVP bevat voornemens, maar of deze ook daadwerkelijk uitgevoerd gaan worden, is niet gegarandeerd. Dat heeft deels te maken met de onzekere financiering maar ook met de bijdragen van een groot aantal partners (overheden en private sector) waarvan uitvoering afhankelijk is. De vraag is met welke rol van de centrale overheid het realiseren van een duurzaam-veilig wegverkeer het meeste gediend is. Nu is die rol te kenschetsen als ‘faciliterend leiderschap': het creëren van randvoorwaarden voor anderen. Maar moeten we niet erkennen dat uitvoering van het NVVP in sterke mate afhankelijk is van het Ministerie? Dient het verkeersveiligheidsvraagstuk zich op gemeentelijk niveau niet heel anders aan dan op landelijke schaal? Per gemeente zijn er gemiddeld 2 verkeersdoden maar opgeteld over Nederland zijn het er 1100. Hoe groot is de kans dat er voldoende budgetten komen als de centrale overheid niet bijspringt? Zonder de decentralisatie van de uitvoering van het beleid ter discussie te willen stellen, pleit de SWOV ervoor, in navolging van het motto van het NVVP (‘Van A naar Beter'), van C naar D te gaan: van consensus, compromis en consultatie naar daadkracht, durf en duidelijkheid. Krachtige steun verdient het formuleren van eisen die gesteld worden aan beslissingsprocedures omtrent ruimtelijke ordening en de inrichting van het wegennet, en minimum-eisen waaraan wegen feitelijk moeten voldoen (de zogenoemde essentiële kenmerken) vanuit het perspectief van ‘duurzaam veilig'. Het welslagen van een duurzaam-veilig wegennet staat of valt met goede afspraken hierover. Om het voor decentrale overheden makkelijker te maken uitvoering te geven aan hun verantwoordelijkheid, beveelt de SWOV aan dat zij hun krachten bundelen. De landelijke overheid moet daarnaast de verantwoordelijkheid op zich nemen voor onderwerpen waar landelijke uniformiteit geboden is en bovendien past het bij het Rijk de kennisverwerving en -uitwisseling te ondersteunen en in goede banen te leiden.

Safe; what is safe? SWOV vision on an even safer road traffic Road Safety in perspective In the Netherlands there are annually nearly 1,100 road deaths and nearly 20,000 in-patients. The social damage of road safety is nearly Dfl. 18 billion (price level of 2000). The environmental pollution caused by road traffic is estimated at Dfl. 13 billion a year and the congestion on main roads costs Dfl. 1.8 billion. Compared with other countries, the Netherlands is one of the safest. However, European countries that are even safer, such as Great Britain and Sweden, have made a greater improvement during the past 10 years. SWOV's opinion is that the annual number of road deaths could be approximately 700 lower. To achieve this, suggestions have been added to the National Traffic and Transport Plan (NVVP) of the Ministry of Transport. Targets to improve policy effectiveness In the last years of the 1980s quantitative targets for 2000 were formulated (Long term Policy Plan) and for 2010 (Structural Traffic and Transport Plan). The target for road deaths in 2000 has been achieved; i.e. 25% less than the base year 1985. A similar reduction in the number of in-patients was not achieved. The 2010 targets are more-or-less the same as in the NVVP. There is, however, a new base year; this is 1998. The target for road deaths (30% less in 12 years) requires the same speed of reduction as in the previous 12 years. The reduction speed for the in-patients will have to increase: from 15% during the 1986-1998 period, to 25% for 1998-2010. International research has shown that a target policy works more effectively than one without measurable goals. It is, therefore, important that not only the the national targets are retained in the NVVP, but that also (seeing as policy execution has been decentralised) that agreements are made about commitment to the targets of the regional authorities. The National Traffic and Transport Plan; a good beginning The NVVP contains, apart from the targets for deaths and in-patients, other good points, namely: -the business-like approach (judging the effects and cost-effectiveness of measures); -the proposed integrated balance between accessability, safety, and quality of life; -the retention of ‘Sustainably Safe' as the guiding vision; -the keeping of this vision as starting point when expanding and repairing the infrastructure. SWOV has made estimates that indicate that the 2010 targets are attainable if the measures invisaged are taken. This does, however, require that the claim from the ICES (Inter-departmental Commission Economic Structure-improvement) for money from the FES (Fund for Economic Structure-improvement) is made available. SWOV: ‘More is Possible!' Every road death is, in fact, one too many. When can we say we are sufficiently ambitious regarding a maximum number? For this, SWOV proposes maintaining the criterium of ‘avoidable accidents'. Avoidable means that we know what to do to prevent accidents, and that it is socially profitable to do so. In other words: the benefits exceed the costs. SWOV would like in any case to see that a number of feasible and highly promising measures be introduced into the political and policy debates. We hope, of course, that the conclusions of this report will be supported, and that the proposed measures be taken as quickly as possible. As far as avoidable accidents are concerned, the question is not if they can be carried out, but when. SWOV's proposals are explicitly meant as an addition to the NVVP intentions; they all fit within the Sustainably Safe approach. The table below shows which results the measures will have. MeasureExtra percentage decreaseExtra absolute decrease of road deathsof road deaths Higher speed in achieving sustainably-safe19%330 road network and a qualitatively better execution Deployment of speeding control21%225 Application of ITS and vehicle improvements7%25 Extra attention for high-risk road user categories50%75 Total of all measures after correction for overlaps35%350 A correction in the absolute numbers has been made because they partly effect the same road user categories. For example: if young car drivers may no longer drive at night there will be less (road) shoulder accidents; by simply adding together both effects, some would be counted twice. SWOV's correction has ensured that this possibility does not occur. Vision on Sustainably Safe All the measures proposed by SWOV fit within the vision of a sustainably-safe road traffic and aim at changes in behaviour. Sustainably Safe departs from the principle that mankind is the measure of all things: human errors must be prevented as much as possible, and where this is not possible, the consequences must be as small as possible. Relatively speaking, road users make very few mistakes: on average they are involved in a serious accident about once every 30 million actions. It would seem hardly possible to improve on that, except for specific groups such as novice drivers and drivers under influence. That is why Sustainably Safe is aimed at simplifying the driving task. This is achieved by a good combination of infrastructural measures, vehicle policy, education, surveillance, and public information. ITS (Intelligent Transport Systems) measures can be added to this list in the future. During the coming decennia, the whole road network must be so designed that every road has just óne clear function. Furthermore, it must have a layout that fits its function and makes the road user clear which behaviour is expected from him/her. In ‘sustainably-safe' three functions are distinguished: giving access to destinations (residential road), providing connection between residential roads and through-roads (collector road), and enabling rapid traffic deployment (through-road). Where a mixture of categories is necessary, low speeds are necessary; where speeds faster than 30 km/h are desirable, homogeneity of traffic flows and predictability of traffic situations are essential. Predictability can only be achieved by a considerable amount of uniformity throughout the whole country. Public information also plays an important part here: passing on knowledge to make road users aware of problems or explain why measures are necessary. It is, however, an illusion to expect that public information on its own can result in changes in behaviour. Proposals for Measures Obtaining more public support for executing a sustainably-safe policy SWOV is of the opinion that much improvement can be made in explaining to the public what the road safety policy contains and what it delivers. There seems to be indifference and resignation towards the large numbers of road deaths and injured. This must be converted into support for measures that prevent road accident victims. After all, it is possible to considerably lower the chance of (serious) accidents. Main points: -Sustainably Safe deserves to be brought out of anonimity. -Sustainably Safe must be promoted as something positive, something that improves society. -To really achieve this proposal, SWOV recommends setting up a National Sustainably Safe Commission that, with money and knowledge, can support regional and local initiatives and increase public support for road safety. Completing a sustainably-safe road network and a qualitatively better execution The government has declared that, during the coming 10 years, it will ensure that one-third of the road network meets the ‘sustainably-safe' requirements. SWOV considers that the complete achievement of ‘sustainably-safe' will thus take too long. It recommends studying if the rate can be increased. The social profits of investing in ‘sustainably-safe' have after all been sufficiently shown. Main points: -We should study where accessability, quality of life, and safety have common or opposite interests. -SWOV considers the intention of only implementing a new infrastructure or carrying out large-scale upkeep that meet the requirements of ‘sustainably-safe', essential to achieve the final goal. -With a ‘sustainably-safe' infrastructure, attention must be shifted from, in the present policy, the residential roads to roads of a higher order (also motorways); limitations on lower order roads are more readily accepted by road users if first (or simultaneously) the higher order roads have good facilities. -If ‘sustainably-safe' is not introduced as a complete package, the result could easily be disappointing; this also argues in favour of speeding up the introduction of an integral approach. -Measures to improve road safety on motorways are also possible; such as homogenising the traffic flows, separating lorries from other traffic, and speed control. -The demands of ‘sustainably-safe', especially when building new rail connections, should also be declared relevant for rail traffic (light-rail, tram, and train). This means having their own lanes and flyover junctions with road traffic, as is the case with metro's. Where this is not possible, the speed should be kept low so that a pedestrian does not get severely injured in an accident. Extra deployment of speeding control In 10 years time there should not be any more speeding offences. SWOV does make the remark that the present speed limits should again be examined. Speeding is immense; it is to be supposed that, in many cases, road users do not understand why a particular speed limit applies. Main points: -When categorising and actually changing the road network, speed limits should be chosen that fit the function, layout, and use of the roads. At the moment there is not everywhere a logical matching of the way a road ‘looks' and the maximum speed in force. -SWOV also proposes to leave the system of exclusively ‘rigid' speed limits. Speed limits that have been adjusted to the traffic and weather conditions are undoubtably more credible and will, therefore, be better adhered to. -Where the infrastructure does not enforce the speed desired, other measures are necessary. In the short term, police enforcement is required. -However, technical solutions must be examined simultaneously. An example is projecting the speed limit in force at that moment, in the windscreen of a vehicle (head-up display). This could be a first step towards the ISA (Intelligent Speed Adaption). Application of ITS and vehicle improvements Much is due to improved vehicle safety. In the NVVP there are such measures. Still more is possible, especially for those who are run down by cars and lorries. Main points: -Car fronts: improvements to benefit cyclists and pedestrians. -Lorries: mandatory front and rear end protection. -Developing a vision about the vehicle categories desired; also in the light of a sustainably-safe road network, vehicle demands, behaviour regulations, and qualification criteria. -Black-boxes and navigation systems in all commercial vehicles (i.e. not only black-boxes in lorries and vans, as the NVVP proposes). -Research into the optimal combination of technical developments and the way in which people use them, or should do. Extra attention for high-risk road user categories Young mopedists, light-mopedists, and car drivers have a much greater chance of an accident; this requires a radical approach. The problem of mopedists and light-mopedists is that, without any training, they can begin as motorised road users of a vehicle with a high risk. Although a practical examination for mopedists and light-mopedists is included in the NVVP, which will undoubtably deliver a positive contribution, it is to be expected that this contribution will be modest and that much more is possible. There is also much to be achieved with novice car drivers. The point here is that the driving task is complicated for beginners; much is to be said for not allowing them to drive during high-risk circumstances. The NVVP contains plans for a graduated driving licence and lowering the alcohol limit for novice drivers; this fits the above-mentioned reasoning. SWOV suggests to procede further. Main points: -Considerable road safety profit can be achieved by forbidding the present light moped and only permitting the bicycle with auxiliary engine. -SWOV suggests raising the minimum age for driving a moped to 18; this would anyway result in an enormous decrease in the number of in-patients. -Novice car drivers: the young should not be allowed to drive at night, nor have any passengers. In a number of other countries (e.g. the United States and Canada), such limitations have been introduced and have proved effective. Organisation and steering The NVVP contains intentions, but whether they will actually be carried out is not guaranteed. This is partly the result of uncertain financing, but also the contributions of a large number of partners (governments and private sector) upon whom execution is dependant. The question is which role of the central government serves achieving a sustainably-safe road network best. Their role can now be described as ‘accompanying leadership'; i.e. creating the pre-conditions for others. Should we not realise that carrying out the NVVP is strongly dependant on the Ministry of Transport? Doesn't road safety at the municipal level present itself very differently from the national level? Divided among the municipalities, there is an average of 2 road deaths; but added up, this is 1,100. How large is the chance that there are sufficient budgets if the central government does not contribute? Without wishing to question the decentralisation of carrying out the policy, SWOV argues for (following the motto of the NVVP: ‘From A to Better') going from C to D: from ‘consensus, compromise, and consultation' to ‘deeds, daring, and decisive'. A great amount of support is necessary to formulate demands to be made of decision procedures regarding town-and-country-planning and the design of the road network, and minimum demands that roads should really meet (the so-called essential features), as seen from the perspective of ‘sustainably-safe'. The success of a ‘sustainably-safe' road network stands or falls as a result of good agreements. To make it easier for regional governments to accomplish their responsibilities, SWOV recommends that they concentrate their forces. The central government must also accept the responsibility for subjects that require national uniformity. Moreover, the state should support the gaining and exchange of knowledge, and lead it in the right direction.

Print this page
report

Report number

R-2001-28

Pages

54 + 32 blz.

Publisher

SWOV, Leidschendam