Publication

Het effect van alcohol-, drugs- en geneesmiddelengebruik op het letselrisico van automobilisten

Een haalbaarheidsstudie in 2000-2001 in het politiedistrict Tilburg

Author(s)

Mathijssen, M.P.M.; Koornstra, drs. M.J.; Commandeur, dr. J.J.F.

Year

2002

Download

PDF icon pdf (284.84 KB)

Dit rapport doet verslag van een onderzoek naar de mogelijkheden om de risico’s vast te stellen die verbonden zijn aan het gebruik van alcohol, drugs en psychoactieve geneesmiddelen door autobestuurders. Het onderzoek is in de periode mei 2000-augustus 2001uitgevoerd door de SWOV, in samenwerking met de Universiteit van Utrecht, de politie van het district Tilburg en het Tilburgse St. Elisabeth Ziekenhuis. Het was de voorloper van een grootschaliger internationaal onderzoek in opdracht van de Europese Commissie. Dit Europese onderzoeksproject, dat in januari 2002 van start is gegaan, heet IMMORTAL, een acroniem voor Impaired Motorists, Methods Of Roadside Testing and Assessment for Licensing. De gekozen onderzoeksmethode is die van een zogenaamde case-control-studie, waarbij het gebruik van psychoactieve stoffen door (ernstig) gewonde bestuurders is vergeleken met het gebruik door willekeurige bestuurders. Met een logistisch regressiemodel zijn ‘odds ratio’s’ berekend die de relatieve risico’s van het gebruik van verschillende stoffen aangeven. De stoffen die in het onderzoek waren betrokken, zijn: alcohol, opiaten (codeïne, morfine en heroïne), methadon, benzodiazepines, tricyclische antidepressiva, barbituraten, cannabis, cocaïne, amfetamine en ecstacy. Voor de opsporing van deze stoffen zijn urine- of bloedmonsters geanalyseerd. De medewerking van gewonde en niet-gewonde autobestuurders aan het onderzoek was op vrijwillige basis. Non-response kan daarbij ernstig vertekende onderzoeksresultaten opleveren, met name als de non-responsgroep selectief is ten aanzien van het middelengebruik en ook substantieel van omvang is. De groep gewonde bestuurders omvatte 112 personen; de nabestaanden van twee overleden bestuurders gaven geen toestemming deze bestuurders in het onderzoek te betrekken. Een zo geringe non-respons heeft geen groot effect op de betrouwbaarheid van de berekende ‘odds ratio’s’. Voor de controlegroep zijn 1029 proefpersonen benaderd. Van 20,7% van hen kon geen urine- of bloedmonster worden verkregen. Voor deze non-responsgroep (van substantiële omvang) is onderzocht, of er aanwijzingen waren voor selectiviteit met betrekking tot middelengebruik. Onder hen bleken vrouwen van 25 t/m 34 jaar enigszins oververtegenwoordigd en mannen en vrouwen van 50 jaar en ouder enigszins ondervertegenwoordigd. Qua alcoholgebruik en zelfgerapporteerd drugs- en geneesmiddelengebruik week de non-responsgroep niet significant af van de responsgroep. Deze gegevens vormen geen aanleiding om te vermoeden, dat de non-responsgroep selectief zou zijn ten aanzien van het gebruik van alcohol en drugs. Gebruikers van psychoactieve geneesmiddelen waren in de non-responsgroep waarschijnlijk licht ondervertegenwoordigd, waardoor de ‘odds ratios’ voor deze geneesmiddelen een lichte onderschatting van de werkelijke relatieve risico’s representeren. Een andere bron van mogelijke vertekening zijn verschillende verdelingen van onderzoeks- en controlegroep over urine- en bloedmonsters. In de onderzoekgroep bestond 39,1% van de monsters uit urine en 60,9% uit bloed. In de controlegroep bestond 84,8% uit urine en slechts 15,2% uit bloed. Met name cannabis is in urine over een veel langere periode na het feitelijke gebruik detecteerbaar dan in bloed. Doordat in de controlegroep een veel groter deel van de monsters uit urine bestond dan in de onderzoeksgroep, kan een onderschatting van het relatieve risico van cannabisgebruik ontstaan. Maar in de praktijk was dat waarschijnlijk niet het geval: van de urinemonsters bleek 6,3% positief voor cannabis, van de bloedmonsters 7,3%. De conclusie uit het haalbaarheidsonderzoek is, dat de gehanteerde onderzoeksmethode een betrouwbaar beeld kan opleveren van de letselrisico’s als gevolg van het gebruik van alcohol, drugs en psychoactieve geneesmiddelen. In het haalbaarheidsonderzoek kon (nog) geen significante risicoverhoging worden vastgesteld voor bestuurders die alléén cannabis, ecstacy en/of amfetamine, cocaïne, opiaten, tricyclische antidepressiva of een betrekkelijk geringe hoeveelheid alcohol (bloedalcoholgehalte tussen 0,2 en 0,5 promille) hadden gebruikt. Significante risicoverhogingen konden wel al worden vastgesteld voor benzodiazepines, combinaties van verschillende drugs, en alcohol boven de wettelijke limiet van 0,5 promille. Maar verreweg de grootste risicoverhoging leverde het gecombineerde gebruik van (veel) alcohol en drugs op.

The effect of drink- and drug-driving on the injury risk of car drivers; A feasibility study in 2000-2001 in the Tilburg police district This report gives an account of a study into the feasibility of determining the risks of the use of alcohol, drugs, and psychoactive medicines by motorists. The study was carried out by SWOV in the period May 2000 to August 2001, in cooperation with the University of Utrecht, the Tilburg police district, and the St. Elisabeth Hospital in Tilburg. The feasibility study preceded a large-scale international research project commissioned by the European Commission. This European project, that started in January 2002, is called IMMORTAL, an acronym for Impaired Motorists, Methods Of Roadside Testing and Assessment for Licensing. The chosen research method was that of a so-called case-control study. In this, the use of psychoactive substances by (seriously) injured drivers is compared with the use by a random sample of drivers. Using a logistic regression model, the ‘odds ratios’ that indicate the relative risks of the use of various substances were measured. The substances involved in the study were: alcohol, opiates (codeine, morphine, and heroin), methadone, benzodiazepines, tricyclic anti-depressants, barbiturates, cannabis, cocaine, amphetamine, and ecstasy. Urine or blood specimens were used to detect these substances. The participation in this study of injured and non-injured car drivers was voluntary. Non-response can produce serious bias, especially if the non-response group is selective for substance use, and is considerable in size. The group of injured drivers contained 112 people; the next of kin of two killed drivers did not give their permission to include them in the study. Such a small non-response does not result in serious bias of the relative injury risk. Of the 1,029 subjects who were approached for the control group, 20.7% could or would not provide a urine or blood sample. For this non-response group (that was quite large) it was examined whether there were indications of selectivity regarding the substance use. Among these subjects, women of 25-34 years old were slightly over-represented, and men and women of 50 years and older were slightly under-represented. As for alcohol use and self-reported drug and medicine use, the non-response group did not deviate significantly from the response group. These facts are no reason for suspecting that the non-response group is selective, as far as alcohol and drug use is concerned. Users of psychoactive medicines are probably slightly under-represented in the non-response group. This leads to the ‘odds ratios’ for these medicines representing a slight under-estimation of the real relative risks. Another source of possible bias are the different distributions of research and control groups in the urine and blood specimens. In the research group, 39.1% of the specimens were urine and 60.9% were blood. In the control group, 84.8% of the specimens were urine and only 15.2% were blood. Especially cannabis is, after actual use, much longer detectable in urine than in blood. Because of a much larger share of urine specimens in the control group when compared to the case group, an under-estimation of the relative risk of cannabis use can arise. In practice, however, this was probably not the case: 6.3% of the urine specimens were positive for cannabis, and 7.3% of the blood specimens. The conclusion of the feasibility study is that the research method used can provide a reliable picture of the relative injury risks associated with the use of alcohol, drugs, and psychoactive medicines. The feasibility study determined no significant risk enlargement (yet) for single-use of cannabis, ecstasy and/or amphetamine, cocaine, opiates, tricyclic antidepressants, or a relatively small quantity of alcohol (BAC of 20-50 mg/100 ml). Significant risk enlargements could be established for benzodiazepines, combinations of different drugs, and a BAC > 50 mg/100 ml). By far the highest relative risk, however, was found in the combined use of (a lot of) alcohol and drugs.

Print this page
report

Report number

R-2002-14

Pages

30 + 23

Publisher

SWOV, Leidschendam