Publication

Evaluatie TussenTijdse Toets

Evaluatie van een proef met een tussentijdse toets in de rijopleiding ter voorbereiding op het rijexamen, gehouden in de provincies Noord-Brabant en Limburg

Author(s)

Nagele, Drs. R.C. ,Traffic Test BV ; Twisk, Drs. D.A.M. ,SWOV

Year

1996

Download

PDF icon pdf (3.46 MB)

De overheid, de rijschoolbranche, consumentenorganisaties en het exameninstituut CBR wensen een verbetering van kwaliteit van de initiële rijopleiding. Hierbij spelen zowel bedrijfseconomische overwegingen een rol, alsook het algemeen maatschappelijke belang van de verkeersveiligheid. Een toename van kwaliteit in de rijopleiding te verwachten is wanneer de klant uiteindelijk een rijschool kiest op basis van de kwaliteit van deze rijschool. Eén van de voorwaarden is dan, dat kwaliteit herkenbaar is voor de klant; aldus ontstaat een koppeling van ‘inhoudelijke kwaliteit' aan marktvoordelen. Het instrument dat voor dit doel is gekozen, is de zogenoemde TussenTijdse Toets (TTT) in de rijopleiding, waarin leerlingen op aanvraag van de rijopleider in de eindfase van hun rijopleiding worden getoetst en voorbereid worden op het ‘echte' examen. Het doel van de TTT is om door een betere afstemming tussen opleiding en exameneisen, de slaagpercentages te verhogen. Daarna kunnen de exameneisen worden aangescherpt, teneinde een meer valide examen te realiseren. De TTT is op proef ingevoerd in de twee zuidelijke provincies in Nederland, en is geëvalueerd. De evaluatie richtte zich op het effect op de slaagpercentages en de verwachtingen, motieven en ervaringen van leerlingen, instructeurs en examinatoren met betrekking tot het al dan niet deelnemen aan de TTT. Tevens is vastgesteld in hoeverre er sprake is van selectieve deelname - door leerlingen, maar ook door rijscholen. Met betrekking tot de deelname kon het volgende worden vastgesteld: -een gering aantal leerlingen doet mee aan de TTT. Het betreft ongeveer 0,5 tot 1% van het totaal aantal examen-kandidaten in de proefperiode; - een gering aantal rijscholen doet mee: 5% van alle rijscholen die leerlingen aanleveren voor het examen motorrijbewijs (A) en 8% van de rijscholen die leerlingen aanleveren voor het examen personenauto-rijbewijs (B); - de leerlingen die deelnemen aan de TTT zijn gemiddeld wat ouder dan degenen die niet meedoen; - het zijn vooral de leerlingen die voor het eerst examen doen; - 45% van de kandidaten (voor het B-rijbewijs) die hebben deelgenomen aan de TTT zijn afkomstig uit rijscholen met een hoger dan gemiddeld slaagpercentage. Het kandidaten zijn dus afkomstig uit de betere rijscholen. Met betrekking tot de slaagpercentage zijn de volgende conclusies getrokken: - slaagpercentage na de TTT is hoger; - dit geldt zowel voor mannen als voor vrouwen; - in alle leeftijdsgroepen is het slaagpercentage na de TTT hoger; - de toename in slaagpercentages treedt op in alle kwaliteitsklassen van rijscholen. Dit betekent dat de TTT een toegevoegde waarde heeft onafhankelijk van de kwaliteit van de rijschool. Met betrekking tot verwachtingen, motivaties en ervaringen werd het volgende geconcludeerd: - de leerlingen die kiezen voor de TTT zijn veelal kwaliteitsbewust en kiezen vaker voor een compactopleiding (dat wil zeggen: zij kiezen voor efficiëntie); -de kosten verbonden aan de TTT zijn voor leerlingen de belangrijkste reden om niet voor de TTT te kiezen; - deelname aan de TTT lijkt de opleidingsduur te verkorten; -de rij-instructeur ervaart de TTT als een hulpmiddel om te komen tot een gerichter opleidingstraject; - de uitslag van de TTT is nauwelijks van invloed op de oordeelsvorming van de examinator tijdens het examen. Op grond van de bevindingen van het onderzoek is aanbevolen de TTT als een landelijke proef te implementeren, maar daarbij te blijven registreren wat de effecten van de TTT zijn. Dit in verband met het geringe aantal leerlingen dat in de ‘zuidelijke proef' van de TTT gebruik heeft gemaakt. Hierdoor is de generaliseerbaarheid van de conclusies uit deze evaluatie beperkt, en kunnen afwijkingen ontstaan ten opzichte van de hier geformuleerde conclusies, indien de TTT door een breder publiek gebruikt gaat worden dan in de zuidelijke proef het geval was

The government, driving school instructors, consumer groups and the drivers' examination institute CBR all want to see an improvement in the quality of basic driving instruction, both for commercial reasons and in the interests of general road safety. The quality of driving instruction will improve if customers are eventually persuaded to choose their driving school on the basis of quality. Consequently, one of the requirements is that this quality should be recognisable to the customer, thereby linking ‘inherent quality' with commercial gain. The instrument chosen to achieve this goal is the ‘Interim Assessment'. Atthe request of the driving instructor, candidate drivers are tested on what they have learned during the course while at the same time being prepared for their ‘real' driving test. The Interim Assessment is carried out when candidate drivers are nearing the end of their course of instruction. The aim of the Interim Assessment is to increase pass rates by creating a better match between driving instruction and test requirements. Once this has been achieved, test requirements can be tightened to obtain a more valid driving test. The Interim Assessment was introduced and evaluated on a trial basis in the two southernmost provinces of the Netherlands. The purpose of the evaluation was to assess the scheme's impact on pass rates and to examine the expectations, motivation and experiences of candidate drivers, instructors and examiners who had or had not decided to take part in the scheme. The study also examined the extent of selective participation in the scheme among candidate drivers and driving schools. The study yielded the following conclusions with regard to participation in the scheme: -only a small number of candidate drivers took part in the scheme, namely between 0.5 and 1 per cent of the total number of test candidates during the trial period; -only a small number of driving schools took part, namely some 5 per cent of driving schools submitting candidate drivers for the motorcycle driving test (A) and 8 per cent of driving schools submitting candidate drivers for the passenger car driving test (B); -candidate drivers who took part in the scheme were on average slightly older than those who did not take part; -most of those taking part were candidate drivers who were taking their test for the first time; -45 per cent of candidates for the B (passenger car) driving license who took part in the scheme were from driving schools with an above average pass rate. These candidates were consequently from the better driving schools. The study yielded the following conclusions with regard to pass rates: -the pass rate was higher after the scheme had been applied; -this applied to both men and women; -the pass rate after the scheme had been applied was higher for all age groups; -the improvement in pass rates occurred in driving schools of all levels of quality. This means that the Interim Assessment scheme involves a general added value, regardless of the quality of the driving school in which it may be applied. The study yielded the following conclusions with regard to the expectations, motivation and experiences of the various participants: -the candidate drivers who chose to take part in the scheme were usually quality-conscious and more often tended to opt for a compact course of instruction (in other words, they opted for efficiency); -the costs associated with the Interim Assessment were the main reason why candidate drivers decided not to take part; -participation in the scheme appears to shorten the length of driving instruction; -driving instructors regard the scheme as a useful tool in achieving a more efficient and targeted course of instruction; -the results of the Interim Assessment have little influence on the judgement of the examiner during the actual driving test. Based on the findings of the study, it was recommended that the Interim Assessment should be introduced throughout the rest of the country on a trial basis, but that its effects should continue to be registered due to the fact that only a limited number of candidate drivers took part in the trial scheme in the south of the country. The conclusions of this study are therefore of only limited universal applicability, and it is quite possible that there may be deviations from the conclusions drawn here once the Interim Assessment is in more general use

Print this page