Erftoegangswegen vormen een wegcategorie binnen Duurzaam Veilig. Zij moeten ook als categorie herkenbaar gemaakt worden. Buiten de kom kan dat gebeuren door een rijloper aan te brengen voor het autoverkeer en kantstroken voor fietsers. De vraag is of dit de verkeersveiligste manier is om het wegtype te uniformeren. En of rijbanen met rijlopers als richtlijn kunnen of moeten gaan gelden voor niet-autosnelwegen.

Bij de uitwerking van een duurzaam-veilig wegverkeer is uniformiteit van verkeersvoorzieningen een belangrijk aandachtspunt. Uniformiteit is een manier om de herkenbaarheid en voorspelbaarheid van (kritische) verkeerssituaties te bewerkstelligen. Ook in de herziene richtlijnen voor het ontwerp van niet-autosnelwegen (RONA) is men uitgegaan van het belang van uniformiteit van de wegen. De uniformiteit van erftoegangswegen buiten de bebouwde kom zou kunnen worden vergroot door het aanbrengen van een rijloper voor het autoverkeer in het midden van de rijbaan. De markering van de rijloper bestaat uit onderbroken strepen. De resterende ruimte, bestaande uit twee (kant)stroken (soms in rood asfalt uitgevoerd), is dan voor fietsers bestemd. Zowel het Infopunt Duurzaam Veilig Verkeer als de Unie van Waterschappen bevelen deze rijbaanindeling in hun publicaties aan.
De SWOV heeft verschillende onderzoeken verricht naar het verkeersveiligheidseffect van rijlopers op erftoegangswegen. De SWOV heeft in een eerdere publicatie (R-99-19) gerapporteerd over een vergelijking tussen erftoegangswegen met en zonder een dergelijke rijloper. De conclusie was toen dat wegen met een rijloper een iets lagere gemiddelde rijsnelheid vertonen dan wegen zonder stroken. En dat de ruimte tussen fietsers en passerende auto's iets kleiner is op wegen met stroken dan op strookloze wegen.
Vervolgens heeft de SWOV onderzoek gedaan naar verkeerssituaties op wegen waar aanvankelijk geen en later wel een rijloper was aangebracht (voor-en nastudies). Per weg zal een rapportage verschijnen (de eerste twee zijn verschenen als R-2000-25 en R-2001-06 ), gevolgd door een overzichts-rapport.
Een voorlopige conclusie uit deze voor- en nastudies, is dat de gemiddelde rijsnelheid soms iets afneemt met enkele kilometers per uur op wegen met een rijloper en kantstroken. Ook blijkt dat fietsers 'hun' strook gebruiken, en meestal verder van de wegrand gaan rijden dan voordat er een strook was. Wanneer automobilisten de enige verkeersdeelnemers op de weg zijn, volgen zij lang niet altijd de rijloper. Ze rijden dan dus niet verder van de wegrand af dan vóór het aanbrengen van een rijloper, zoals was beoogd. Automobilisten die fietsers inhalen wijken in de nasituatie iets minder uit naar links dan in de voorsituatie. Dit betekent dat de onderlinge gekozen ruimte geringer is dan op grond van de beschikbare ruimte in het dwarsprofiel mogelijk zou zijn. Met andere woorden, ze kunnen meer ruimte nemen, maar doen dat niet.
Voor een ongevallenanalyse is het nog te vroeg; in de voorgenomen evaluatie van zones 60 (Unie van Waterschappen) is de lengte van dergelijke wegen voldoende groot om een dergelijke analyse uit te voeren.
De vraag is of de rijbaan met rijloper op erftoegangswegen buiten de bebouwde kom in de herziene RONA moet komen als de manier om dit wegtype te markeren. De voorgaande onderzoeksresultaten laten zien dat verkeersveiligheid (nog) niet het hoofdmotief kan zijn.
Los daarvan is uniformering van het wegbeeld binnen een wegtype een belangrijk motief om de wegcategorisering te benadrukken.
Op erftoegangswegen buiten de bebouwde kom gebruiken auto's en fietsen dezelfde rijbaan met grote verschillen in rijsnelheid bij passeren en tegemoetkomen. De herkenbaarheid van deze situatie neemt toe door een markering die de plaats van de auto (rijloper) en de fiets (strook) nadrukkelijk aanduidt. Daarom beveelt de SWOV deze vorm van markering aan voor alle erftoegangswegen buiten de bebouwde kom. Het ongevallenonderzoek kan later nog nieuwe gezichtspunten opleveren.