SWOV homepage
English  

Bestuurders van rechts gaan voor: een nieuwe verkeersmaatregel

 

Bij het uitkomen van dit nummer van SWOVschrift is de invoering van de maatregel Voorrang voor Fietsers Van Rechts (VFVR) een feit. Hoe is men eigenlijk tot de invoering van deze maatregel gekomen, en wat zijn de consequenties voor de verkeersveiligheid? Voorwaarden voor een veilige invoering van de maatregel VFVR zijn in het verleden door de SWOV opgesteld. Ook verschijnt er binnenkort een SWOV-rapport waarin het besluitvormingsproces rond de invoering van de maatregel beschreven staat.

 

Met de maatregel Voorrang voor Fietsers Van Rechts (VFVR) is een uitzonderingspositie opgeheven. Een uitzonderingspositie die niet alleen de fiets, maar ook de andere wijzen van langzaam verkeer hadden ten opzichte van gemotoriseerde voertuigen. Sinds 1 mei hebben alle bestuurders die op een gelijkwaardig kruispunt van rechts komen voorrang. Op een gelijkwaardig kruispunt is de voorrang niet geregeld met behulp van voorrangsborden, met verkeerslichten of met een in- of uitritconstructie. Bestuurders zijn alle verkeersdeelnemers die een voertuig besturen. Naast bestuurders van gemotoriseerde voertuigen zijn dat bromfietsers, snorfietsers en fietsers, maar ook bestuurders van een invalidenvoertuig, bestuurders van een wagen, geleiders van rijdieren, trekdieren of vee en ruiters te paard. Voor voetgangers (waaronder skaters, skeelers en steppers) blijft de situatie ongewijzigd; zij gaan niet voor.

 

Met de invoering van de maatregel VFVR zijn we terug bij de situatie zoals die voor de Tweede Wereldoorlog was. Wat zich in de tussenliggende periode heeft afgespeeld staat uitgebreid beschreven in het binnenkort te verschijnen SWOV-rapport "Afwegingen inzake bestuurlijk en publiek draagvlak bij besluitvorming op het terrein van verkeersveiligheid" (R-2001-13). Aan bod komt onder meer het verdrag van Wenen (1968), waarin het streven naar harmonisatie in verkeersregels en -tekens centraal stond. De algemene regel 'rechts heeft voorrang' werd met dit verdrag in Europese landen opnieuw ingevoerd. Nederland nam op dit punt een uitzonderingspositie in, en behield de bestaande voorrangsregel. Men vreesde dat de herinvoering van deze voorrangsregel nadelige gevolgen zou hebben voor de verkeersveiligheid, met name voor de veiligheid van fietsers. Ook 30 jaar later is de maatregel VFVR niet gepresenteerd als verkeersveiligheidsmaatregel. De redenen die voor de invoering hebben gepleit waren een vereenvoudiging van de voorrangsregels, gelijke rechten voor het langzaam- en snelverkeer - wat past binnen een fietsvriendelijk verkeersbeleid - en harmonisatie met de Europese regelgeving.

 

Ook na het verdrag van Wenen is de invoering van de algemene regel 'rechts heeft voorrang' herhaaldelijk onderwerp van politieke discussie geweest. De moties die in de Tweede Kamer werden ingediend en de beleidsinspanningen die daarvan het gevolg waren, worden stuk voor stuk in het eerder genoemde rapport R-2001-13 besproken. Steeds in het kader van de vraag hoe beslissers bij de besluitvorming over verkeersveiligheidsmaatregelen rekening houden met het (te verwachten) bestuurlijk en publiek draagvlak. Het draagvlak dat er was voor de invoering van de maatregel VFVR, is terug te vinden in de standpunten van de verschillende maatschappelijke organisaties: 3VO, ANWB, Fietsersbond ENFB en Koninklijke Nederlandse Automobielclub KNAC, en het Overlegorgaan Verkeersveiligheid OVV, waarin deze organisaties vertegenwoordigd zijn. Daarnaast worden ook de resultaten van een enquête uit het Periodiek Regionaal Onderzoek Verkeersveiligheid aangehaald, waarin de opinie van het publiek ten aanzien van de invoering van deze maatregel is gemeten.

 

De verkeersveiligheidsconsequenties van de invoering van de maatregel VFVR hebben in de politieke discussie een belangrijke rol gespeeld. Tegen deze achtergrond heeft de SWOV in de jaren tachtig en negentig verschillende studies uitgevoerd naar de voorwaarden voor een veilige invoering van de maatregel VFVR.

De belangrijkste conclusies uit deze studies waren dat de maatregel VFVR alleen veilig kon worden ingevoerd in gebieden waar de snelheidsverschillen tussen gemotoriseerd verkeer en langzaam verkeer laag zijn, en waar de intensiteit van het gemotoriseerde verkeer laag is. Aangezien verblijfsgebieden die als 30- of 60 km/uur-zone ('zone 30 of 60') zijn ingericht aan deze voorwaarde voldoen, kan de gewijzigde voorrangsregel in deze gebieden zonder meer worden toegepast, eventueel met aanvullende maatregelen als plateaus en voorrang voor busroutes en hoofdfietsroutes.

Op alle kruispunten van verkeersaders binnen en buiten de bebouwde kom moet de voorrang echter geregeld zijn, hetzij door verkeerstekens, hetzij door uitritconstructies. Deze voorwaarden zijn ondergebracht in het Startprogramma Duurzaam Veilig. De uitvoering wordt ondersteund door verschillende uitgaven van het Infopunt Duurzaam Veilig Verkeer.

Een punt van zorg zijn de verkeersveiligheids­consequenties van de maatregel VFVR in verblijfsgebieden die nog niet als zone 30 of 60 zijn ingericht.

 

De aanbevelingen voor een veilige invoering van de maatregel VFVR konden niet worden gebaseerd op praktijkevaluaties. In tegenstelling tot de maatregel Bromfiets op de Rijbaan (eveneens besproken in R-2001-13) kon de maatregel VFVR niet eerst lokaal worden beproefd. Er is echter wel voorzien in een landelijke evaluatie van de verkeersveiligheids­consequenties van de invoering van VFVR en de daarvoor benodigde instelling van voorrang op verkeersaders. De Adviesdienst Verkeer en Vervoer heeft hiertoe een monitoringsprogramma gestart en zal tevens een ongevallenevaluatie uitvoeren. De resultaten worden medio 2002 verwacht.

SWOVschrift 86 - juni 2001

Thema's kennisbank