Verkeerseducatie moet in het voortgezet onderwijs een prominentere plaats krijgen. Nu nog hebben scholieren in de eerste drie leerjaren gemiddeld slechts 5,7 lesuur verkeersonderwijs per leerjaar. En maar twee lesuren daarvan zijn gericht op verkeersveiligheid.
Dit blijkt uit het SWOV-onderzoek 'Aanbod van verkeerseducatie in de basisvorming' (R-99-35), dat Minister Netelenbos van Verkeer en Waterstaat naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. De leerkrachten vinden zelf dat elke leerling in totaal tien uur verkeerseducatie per jaar zou moeten krijgen, waarvan vijf lesuren besteed aan verkeersveiligheid.
De SWOV heeft in samenwerking met het Cito onderzoek gedaan onder 1200 leerkrachten in de eerste drie leerjaren van het voortgezet onderwijs. Het betrof leerkrachten van de vijf vakken die het meest in aanmerking komen voor verkeerseducatie: natuur- en scheikunde, biologie, aardrijkskunde, verzorging en techniek.
Een kwart van de leerkrachten blijkt daadwerkelijk verkeerseducatie te geven. Daarbij is er een opvallend verschil tussen de vakken: van de natuur- en scheikundeleerkrachten besteedt 35% aandacht aan verkeerseducatie, tegen 8% van de biologieleerkrachten. Bijna alle les wordt gegeven gekoppeld aan het eigen vak, en maar weinig aan projecten los hiervan. Deze cijfers betekenen dat een kwart van alle leerlingen geen verkeerseducatie krijgt; van het derde leerjaar VBO is dat zelfs de helft. Het gemiddelde aandeel verkeersveiligheid neemt over de drie leerjaren af van 50% in het eerste naar 25% in het derde leerjaar.
Leerkrachten die verkeerseducatie geven, blijken weinig ervaring te hebben met ondersteunende instanties. Veilig Verkeer Nederland en de politie worden nog door 20% genoemd; de gemeente en het ROV/POV door ongeveer 10%. Andere organisaties komen nog minder in beeld.
De SWOV vindt de uitkomst van de studie onrustbarend: in de basisvorming blijkt weinig tijd te worden besteed aan verkeersveiligheidseducatie, en hele groepen leerlingen krijgen in het geheel geen onderwijs op dit gebied. Toch kan hieruit niet worden geconcludeerd dat er onvoldoende verkeersveiligheidseducatie wordt gegeven. De vraag of scholieren voldoende zijn toegerust om veilig aan het verkeer te kunnen deelnemen is namelijk nog niet beantwoord.
De SWOV beveelt aan om een toets te ontwikkelen, waarbij de kennis en vaardigheden van scholieren op het gebied van verkeer worden gepeild. Een dergelijke peiling zou, evenals de peiling van het aanbod aan verkeerseducatie, periodiek afgenomen moeten worden. Deze periodieke toetsingen kunnen dan laten zien of de Nederlandse scholieren voldoende in huis hebben en of de verkeerseducatie bijstelling behoeft.