Begin 1996 heeft de SWOV de aanwezigheid van het derde remlicht geïnventariseerd (R-96-38). Deze meting is van belang om bij analyses van achteraanrijdingen een eventuele invloed van het derde remlicht in beschouwing te kunnen nemen. De laatste jaren is sprake van een zeer forse toename van dit type aanrijdingen.
Op tien locaties verspreid over Nederland, is het aandeel derde remlichten bij personenauto's geteld. Drie typen locaties zijn hierbij onderscheiden: wegen binnen de bebouwde kom, 80 km/uur-wegen en op- en afritten van autosnelwegen. Alle locaties waren kruispunten die uitgerust zijn met verkeerslichten, zodat bij remmanoeuvres de aanwezigheid van het derde remlicht kon worden vastgesteld.
Het resultaat van de metingen was dat 10% van de personenauto's die aan het verkeer deelnamen met een derde remlicht was uitgerust. Naarmate de voertuigen jonger waren, nam het aandeel remlichten toe. Van de auto's uit 1994 had 14% een derde remlicht. Bij auto's uit 1995 werd 28% met remlicht aangetroffen. Van de auto's van vóór 1994 was ongeveer 5% van een derde remlicht voorzien. In ruim de helft van de gevallen was het derde remlicht aan de onderzijde van de achterruit aangebracht; ruim 50% van de derde remlichten had een langwerpige vorm.