In 1997 werd de European New Car Assessment Programme (EuroNCAP) op initiatief van Europese consumentenorganisaties ingevoerd. Met dit testprogramma voor nieuwe modellen van personenauto’s beoogden de organisaties consumenten beter te kunnen informeren over hun nieuwe aankoop, vooral met het oog op de botsveiligheid. Dankzij EuroNCAP zijn de nieuwe modellen personenauto’s de laatste decennia aanmerkelijker botsveiliger geworden. EuroNCAP vormt een uitbreiding op het reeds bestaande stelsel van voertuigregelgeving, dat in alle EU-landen van kracht is. Het zet automobielfabrikanten aan met auto's op de markt te komen die veiliger zijn dan de wettelijke eisen voorschrijven.
EuroNCAP beoordeelt vooral de botsveiligheid van nieuwe modellen personenwagens. In de tests worden zowel de frontale botsveiligheid als de flankveiligheid getoetst. Ook de voetgangersveiligheid (de aan- of afwezigheid van een botsvriendelijk autofront) is een belangrijk aspect binnen de totale beoordeling. Binnen het testprogramma wordt onderscheid gemaakt in zes hoofdgroepen van voertuigcategorieën. Het testresultaat wordt gepresenteerd door middel van een aantal gekleurde banden en sterren. Kinderbeveiliging en voetgangersveiligheid zijn opgenomen in een aparte score.
Vanaf 2009 worden ook hoofdsteunen getest. Ook gaat EuroNCAP inzetten op de primaire veiligheidseisen door extra punten te geven indien de auto van de antislipvoorziening ESC is voorzien. Een belangrijke beperking van de botsproeven die EuroNCAP uitvoert is dat de fabrikant specifiek op de in het programma opgenomen botstests kan ontwerpen. Bovendien kunnen auto’s alleen binnen de eigen hoofdgroep c.q. voertuigcategorie worden vergeleken. Dit zijn overigens beperkingen die ook gelden bij de volgens Europese voertuigeisen wettelijk verplichte botsproeven. Een ander nadeel is dat niet alle nieuwe modellen personenauto’s aan het testprogramma van EuroNCAP (kunnen) worden onderworpen.
Voor meer details:
Factsheet EuroNCAP, een veiligheidsinstrument (pdf)