Anticiperend onderzoek heeft altijd een belangrijke rol gespeeld bij het analyseren van de problemen die ten grondslag liggen aan onveiligheid in het verkeer en het komen tot mogelijke oplossingen. Dit onderzoek levert dan ook een belangrijke bijdrage aan het verbeteren van de verkeersveiligheid.
De SWOV zal de komende jaren anticiperend onderzoek gaan uitvoeren op de volgende tien onderwerpen.
De SWOV heeft een belangrijke taak in het ondersteunen van beleidsmakers en wegbeheerders bij het maken van hun plannen op het gebied van verkeersveiligheid. Zeker nu de budgetten voor verkeersveiligheid onder druk staan, moet men beschikken over de best onderbouwde effectschattingen van maatregelen, de kosten daarvan en de methode om hieruit een optimaal maatregelpakket samen te stellen. In de afgelopen periode is hiervoor onder meer de VerkeersveiligheidsVerkenner voor de Regio (VVR) ontwikkeld. Deze methodiek is een eerste maal gebruikt door alle 19 regio's (provincies en kaderwetgebieden) in Nederland. In het project Veiligheidsverkenner wordt deze methode verder verbeterd. De verbeterde Verkeersveiligheidsverkenner zal in vervolgpilots getest worden en daarna beschikbaar worden gesteld voor gebruik in de praktijk.
De weginfrastructuur wordt voortdurend aangepast aan de groei van het verkeer. Hoewel men zou kunnen veronderstellen dat meer verkeer ook leidt tot meer verkeersslachtoffers, blijkt het aantal verkeersslachtoffers te dalen ondanks een toename van het aantal voertuigkilometers. Deze ontwikkeling wordt toegeschreven aan verbeteringen van vele elementen binnen het verkeerssysteem: mens-voertuig-weg. Op basis van praktijkgegevens wordt in Infrastructuur en verkeersonveiligheid getracht een kwantitatief verband te leggen tussen de wegkenmerken, verkeerskenmerken en verkeersonveiligheid.
In dit project staat een van de kernvraagstukken van het huidige verkeersveiligheidsprobleem, te weten snelheid, centraal. Allereerst wordt een visie op snelheidslimieten ontwikkeld die het kader vormt voor verder onderzoek naar het verband tussen (spreiding in) snelheid en verkeersonveiligheid en geloofwaardigheid van (optimale) limieten. Daarna is het streven het inzicht te vergroten in de relatie tussen snelheid, spreiding in snelheid en verkeersveiligheid onder verschillende Nederlandse weg- en verkeersomstandigheden en in snelheidskeuze bij verschillende geloofwaardige limietenstelsels. Hierbij richt het onderzoek zich vooral op personenauto's, maar indien mogelijk kan de aandacht uitgebreid worden naar andere voertuigen (bijvoorbeeld vrachtauto's en bromfietsers). In eerste instantie zal gekeken worden naar wegvakken. De nadruk ligt op onderzoek naar snelheden buiten de bebouwde kom.
De SWOV kenmerkt snelheidsbeheersing als een van de hoofdlijnen van een beleid dat er op gericht is het aantal verkeersslachtoffers verder terug te dringen. Elke % te snel betekent 3% meer doden. In dat kader stelt de SWOV voor ernaar te streven dat alle weggebruikers zich binnen een periode van tien jaar (nagenoeg) overal aan de dan geldende snelheidslimieten houden. In het project Maatregelen voor snelheidsbeheersing wordt gekeken naar mogelijkheden om een dergelijke ambitieuze doelstelling te realiseren en de gewenste snelheidsbeheersing te bereiken. Hiervoor worden twee invalshoeken gebruikt: handhaving en toezicht in combinatie met voorlichting en nieuwe technologieën langs de weg of in het voertuig. Voorbeelden hiervan zijn het optimaliseren van politietoezicht, maar ook voertuigmaatregelen zoals Intelligente SnelheidsAdaptatie (ISA) zijn interessant.
De routekeuze van verkeersdeelnemers is niet altijd in overeenstemming met het oogmerk waarmee de infrastructuur is ontworpen en aangelegd. Met andere woorden, het gebruik van de weg wijkt af van de functie ervan. Het project Routekeuze in een wegennet richt zich op de mogelijkheden om de routekeuze van bestuurders van motorvoertuigen zo te beïnvloeden dat die route past bij de eisen die een 'Duurzaam Veilig' vervoers- en verkeerssysteem daaraan stelt. Duurzaam Veilig bepleit een omgeving die qua infrastructuur is aangepast aan de beperking van de menselijke vermogens. Dit betekent onder andere dat de kortste/snelste en de veiligste route moeten samenvallen.
Dit onderzoek maakt enerzijds gebruik van simulatiemodellen en anderzijds van onderzoeksmethoden die opgegeven voorkeuren van weggebruikers voor routes nader bekijken. De resultaten die uit deze studies komen, zullen worden getoetst met behulp van veldstudies en simulatoronderzoek.
Belangrijke uitgangspunten van Duurzaam Veilig ten aanzien van wegen zijn uitgedrukt in de kernbegrippen functionaliteit, homogeniteit en uniformiteit. De vertaalslag van de functionele eisen via operationele eisen naar concrete ontwerprichtlijnen is een belangrijk knelpunt. Dit geldt met name voor de functionele eis 'wegcategorieën herkenbaar maken'. In het project Herkenbare vormgeving en voorspelbaar gedrag wordt onderzocht op welke wijze de vormgeving van een weg en de wegomgeving de herkenbaarheid van de weg en daardoor de voorspelbaarheid van het verkeersgedrag kunnen vergroten. Een goede herkenbaarheid van het wegtype zal gewenst 'veilig' gedrag 'uitlokken' en ongewenst (onveilig) gedrag minder waarschijnlijk maken.
In vergelijking met oudere en meer ervaren bestuurders hebben beginnende automobilisten in de leeftijd van 18-24 jaar een bijna driemaal zo grote kans om als gevolg van een verkeersongeval gewond te raken of te overlijden. De combinatie van een 'te rooskleurig zelfbeeld' en de onderschatting van de complexiteit van de rijtaak, is de basis van hun gedrag die resulteren in een onevenredig hoge ongevalbetrokkenheid. De term 'kalibratie' wordt gebruikt voor de balans tussen zelfinschatting van vaardigheden en de inschatting van de complexiteit van de rijtaak. Het begrijpen, meten en beïnvloeden van 'kalibratie' staat centraal in het project Beginnende bestuurders en de rijopleiding. De verworven inzichten zullen worden vertaald in cursusmethoden en diagnostische meet-instrumenten voor de rijopleiding.
Verkeerseducatie heeft sinds jaar en dag een plaats in het verkeersveiligheidsdenken als een van de drie E's (education, enforcement, engineering). Maar in tegenstelling tot de twee andere gebieden is men er tot op heden niet goed in geslaagd om de effecten van educatie ook feitelijk vast te stellen in termen van slachtofferreductie. Doel van het project Effecten van educatie en voorlichting is om inzicht te verwerven in gespecificeerde effecten van educatie. Het project inventariseert de kosten en baten en de effectiviteit van verschillende vormen van educatie om daarmee bouwstenen aan te leveren voor een effectief en doelmatig beleid.
De SWOV heeft een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheden van een maatschappelijke kosten-baten analyse van landelijke verkeersveiligheidsmaatregelen voor de periode tot 2020. Het vervolgproject met de naam Optimale investeringen richt zich op het verder ontwikkelen van praktisch bruikbare standaardmethoden waarmee kosten-baten- en kosten-effectiviteitsanalyses van diverse verkeersveiligheidsmaatregelen kunnen worden uitgevoerd op verschillende niveaus van besluitvorming. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de effecten op bereikbaarheid en milieu. Het beoogde resultaat is een algemeen bruikbare evaluatiemethode van verkeersveiligheidsmaatregelen.
Het project Informatiegebruik bij besluitvorming over verkeersveiligheid bestaat uit twee onderdelen.
Samenwerking tijdens besluitvorming
Het eerste richt zich op de invloed van samenwerking tijdens de besluitvorming over de aanleg van 60 km/uur-gebieden. Aandachtspunten zijn de vele betrokken actoren, de kosten, de mobiliteitsbelangen, de effecten op het milieu, de kwaliteit van de woonomgeving en ten slotte de aanwezigheid van publiek en/of bestuurlijk draagvlak.
Meewegen van verkeersveiligheidsbelang
Het tweede onderdeel betreft het meewegen van het verkeersveiligheidsbelang naast belangen als bereikbaarheid, milieu en ruimtelijke ordening in de besluitvorming over investeringen in aanleg en onderhoud van wegen. Dit deel van het project richt zich op de besluitvorming over de bestemming van de aanleg/onderhoudsbudgetten, op de samenwerking tussen verschillende instanties en op het gebruik en de invloed van beslissingsondersteunende hulpmiddelen.