|
Educatieprojecten over verkeersveiligheid zijn vrijwel
nooit systematisch geëvalueerd. De SWOV heeft daarom in
het onlangs afgesloten onderzoeksprogramma 2003-2006 een studie
naar de effecten van verkeerseducatie uitgevoerd. Uit deze
onlangs afgeronde evaluatiestudie blijkt dat er een maand na
het educatieproject bij meer dan de helft van de projecten
sprake is van een weliswaar kleine, maar significante verbetering
in veilig verkeersgedrag. De SWOV pleit ervoor educatieprojecten
structureel te evalueren en zo een bijdrage te leveren aan
een verdere professionalisering van de verkeerseducatie in
Nederland.
Zelfgerapporteerd gedrag
De onderzoekers van het EVEO-project (‘Effecten van Verkeerseducatie
Onderzoek’) hebben zich gebogen over de vraag hoe effecten
van educatieprogramma’s het beste gekwantificeerd kunnen
worden. Het aantal ongevallen als maat voor de effectiviteit
voldoet niet, omdat ongevallen zeldzame gebeurtenissen zijn waarvan
de oorzaak mede wordt bepaald door een samenloop van omstandigheden.
De rol die educatie bij een ongeval speelt valt moeilijk te isoleren.
Een effectmaat die direct verband houdt met het aan te leren
gedrag is daarom beter.
In het EVEO-project is gekozen om het door de deelnemers gerapporteerde
verkeersgedrag als maat te nemen voor de effectiviteit van een
educatieproject. Dit ‘zelfgerapporteerde' gedrag en de
wijzigingen die hierin als gevolg van de verkeerslessen zijn
opgetreden, geven aan of het project effectief is geweest. Voor
invloeden van buiten het programma is gecorrigeerd door dezelfde
metingen te doen bij een controlegroep die het programma niet
hadden gevolgd.
Meer dan de helft projecten leidt tot verkeersveiliger
gedrag
De SWOV heeft uiteindelijk elf educatieprogramma’s geëvalueerd.
Deze programma’s richten zich met name op jongeren en kinderen,
en worden grotendeels via het onderwijs uitgevoerd. Soms richten
de educatieprojecten zich op specifieke groepen verkeersdeelnemers,
zoals (jonge) bromfietsers.
Doelstelling van de meeste educatieprojecten is deelnemers bewust
te maken van de risico’s van het verkeer en feitelijk (on)veilig
verkeersgedrag. Dit gebeurt onder meer door klassengesprekken,
demonstraties en voorlichting(sfilms).
Een maand na de uitvoering van het programma is bij meer dan
de helft van de projecten sprake van een verbetering van verkeersveilig
gedrag. De gemeten gedragsverandering is weliswaar klein, maar
kan in zijn geheel herleid worden tot de effecten van het betreffende
educatieprogramma.
Bescheiden effect
De SWOV verklaart de gemeten effecten van de educatieprogramma's
als volgt:
- De looptijd van de geëvalueerde projecten is kort, terwijl
met name herhaling van de boodschap de effectiviteit vergroot.
- Verkeersgedrag is een vorm van gewoontegedrag; het doorbreken
ervan vraagt een sterke motivatie en veel externe stimulansen,
zoals beloning en straf.
- Het EVEO-project richtte zich op ‘geïsoleerde’ effecten
van educatie. Gecombineerde effecten zijn buiten beschouwing
gelaten, terwijl uit de vakliteratuur blijkt dat juist combinaties
van maatregelen (bijvoorbeeld educatie gecombineerd met politietoezicht)
zeer effectief kunnen zijn.
Professionaliseren
Het EVEO-project heeft een eerste aanzet gegeven voor een systematische
en hanteerbare evaluatiemethodiek en kan hiermee een bijdrage
leveren aan het verbeteren van evaluatieprojecten. Het verdient
daarom aanbeveling om het EVEO-project op te nemen in de Toolkit,
een database met de in Nederland meest gebruikte educatieve
programma’s (www.kpvv.nl).
Het is wenselijk educatieprogramma’s in de toekomst structureel
te evalueren en zo een bijdrage te leveren aan een verdere
professionalisering van verkeerseducatie.
De volledige publicatie Wanneer
is verkeerseducatie effectief? Systematische evaluatie van
educatieprojecten', R-2006-28,is vanaf 26 april
2007 te raadplegen op www.swov.nl.
|